kanker
De feiten van dikkedarm- en endeldarmkanker!
Ontwikkeling darmkanker meestal uit poliep
Darmkanker ontstaat bijna altijd uit een darmpoliep. Een poliep (adenoom) is een uitstulping of een verdikking van het slijmvlies dat de binnenkant van de darm bekleedt. Poliepen zijn goedaardige gezwellen, maar sommige kunnen uitgroeien tot kwaadaardige tumoren (kanker). Kwaadaardige tumoren in de darm komen voor in de dikke darm (colon) of de endeldarm (rectum). Kwaadaardige tumoren van de dunne darm zijn zeer zeldzaam en blijven hier buiten beschouwing. De meeste dikkedarmtumoren zijn opgebouwd uit kliervormige cellen. Tumoren in het opstijgende en dwarslopende deel van de dikke darm worden proximale vormen van darmkanker genoemd. Tumoren in het dalende deel, het einde van de dikke darm en de endeldarm worden distale vormen van darmkanker genoemd. Symptomen darmkanker afhankelijk van plaats tumor.De symptomen bij darmkanker hangen af van de plaats van de tumor
- Bij een tumor in het hooggelegen (opstijgende) deel van de dikke darm (proximale tumor) zijn er doorgaans lange tijd geen symptomen. Bloedarmoede (voelbaar als vermoeidheid) als gevolg van onzichtbaar bloedverlies via de ontlasting is dan vaak het eerste teken. Later kunnen darmkrampen en pijn, bijvoorbeeld enige tijd na de maaltijd, optreden.
- Bij dikkedarmtumoren die dichter bij de endeldarm liggen (distale tumoren), zijn bloed- en slijmverlies via de anus en verandering van het ontlastingspatroon meestal de belangrijkste symptomen. Vaak gaat dit samen met krampende pijn, als gevolg van verstopping.
- Bij een tumor in de endeldarm is het meest voorkomende symptoom een verandering in de normale stoelgang (loze ontlastingsdrang en bloedverlies).
Genetische factoren
Genetische factoren spelen een rol
De twee meest voorkomende erfelijke vormen van darmkanker zijn Familiaire Adenomateuze Polyposis (FAP) en Hereditair Non-Polyposis Colorectaal Carcinoom (HNPCC) (Menko et al., 1999). FAP en HNPCC zijn verantwoordelijk voor ongeveer 1 tot 5% van alle darmkankergevallen. Recent is een derde erfelijk darmkankersyndroom beschreven: MYH-polyposis. In tegenstelling tot FAP en HNPCC erft dit tumorsyndroom recessief over (Sieber et al., 2003; Lynch & de la Chapelle, 2003). Recessieve overerving betekent dat een patiënt een erfelijke mutatie (verandering in DNA) van zowel vader als moeder geërfd heeft. Deze erfelijke mutaties werden aangetoond in een gen dat betrokken is bij DNA-reparatie, het MYH-gen. Wanneer dit gen niet goed functioneert, kunnen darmpoliepen en –tumoren ontstaan. Het ziektebeeld van deze vorm van kanker lijkt op die van FAP.- Mensen met FAP hebben al op jonge leeftijd honderden, soms duizenden, poliepen in de dikke darm. De kans dat deze poliepen uitgroeien tot darmkanker is zeer groot. De meeste patiënten ontwikkelen voor hun 40ste levensjaar darmkanker.
- Bij HNPCC komen in de familie in verschillende generaties verscheidene gevallen van darmkanker voor. Deze vorm van kanker ontwikkelt zich op gemiddeld 43-jarige leeftijd. Bij HNPCC zijn er veel minder poliepen dan bij FAP (meestal minder dan 5), maar de poliepen groeien sneller uit tot kanker.
- MYH-polyposis kenmerkt zich net als FAP door veel poliepen (> 15) in de dikke darm. Op dit moment is nog weinig bekend over het vóórkomen en gedrag van dit tumorsyndroom.
Voeding kan het darmkankerrisico verhogen en verlagen
Voedingsfactoren zouden het ontstaan van darmkanker negatief en positief kunnen beïnvloeden. Een hoge consumptie van verzadigd vet zou het risico op darmkanker verhogen, maar een direct verband is niet aangetoond. Wel zijn er aanwijzingen dat een hogere inname van bepaalde onverzadigde vetzuren in vis (omega-3-vetzuren) het risico op darmkanker verlaagt.Consumptie van rood vlees en vleeswaren verhoogt risico op darmkanker. Consumptie van rood vlees (varkensvlees en rundvlees) en van vleeswaren verhoogt het risico op darmkanker. Mogelijk wordt dit veroorzaakt door stoffen die gevormd worden bij de bereiding van vleeswaren, bij langdurig en op hoge temperatuur bakken en braden en bij barbecuen. Deze stoffen zijn op zich niet kankerverwekkend, maar kunnen in het lichaam worden omgezet in kankerverwekkende stoffen. De verhoging van het risico op darmkanker bij een hoge consumptie van rood vlees is mogelijk toe te schrijven aan het heam-ijzer dat het vlees rood kleurt. Hoge consumptie van wit vlees, zoals kip en ander gevogelte, lijkt het risico op darmkanker niet te beïnvloeden.
Koolsoorten en groene bladgroenten verlagen risico op darmkanker
Het eten van veel groenten heeft mogelijk een beschermende werking tegen darmkanker. Onderzoek heeft dit echter nog niet duidelijk aangetoond. Wel zouden bepaalde groentesoorten een beschermende rol kunnen spelen. Koolsoorten hebben mogelijk een beschermende werking door de hierin aanwezige glucosinolaten, en groene bladgroenten door het hoge gehalte aan foliumzuur.Beschermende werking vezelrijke producten onduidelijk
De beschermende werking van consumptie van vezels of vezelrijke producten tegen het krijgen van darmkanker is onduidelijk. De resultaten van onderzoek met proefdieren is veelbelovend. Onderzoek met mensen geeft daarentegen niet of nauwelijks effect van consumptie van vezelrijke producten te zien. Een groot Europees prospectief onderzoek liet een beschermend effect van vezels zien. Deze resultaten worden echter niet bevestigd door een onderzoek waarbij de resultaten van grote, met name Amerikaanse, prospectieve studies zijn samengenomen. Laatstgenoemd onderzoek omvatte ook de Nederlandse Cohort Studie naar voeding en kanker (NLCS). Deze studie is in 1986 van start gegaan onder ruim 120.000 Nederlandse vrouwen en mannen in (destijds) de leeftijdsgroep 55-70 jaar.Melk lijkt het darmkankerrisico gunstig te beïnvloeden
Een hoge consumptie van melk lijkt het risico op darmkanker te verlagen, mede als gevolg van het hoge calciumgehalte van melk. Een hoge inname van calcium kan het risico op darmpoliepen en darmkanker verlagen. Het beschermende effect van melk is mogelijk ook te verklaren door het feit dat melk, naast calcium, eveneens een belangrijke bron is van foliumzuur, vitamines B2, B12 en (in sommige landen) van vitamine D.Overmatig alcoholgebruik verhoogt het risico op darmkanker
Overmatig alcoholgebruik verhoogt het risico op dikkedarm- en endeldarmkanker. Het gaat om de totale hoeveelheid alcohol; het soort alcohol (bier, wijn of sterke drank) lijkt niet uit te maken. Overmatig alcoholgebruik zou vooral risicovol kunnen zijn voor mensen die weinig foliumzuur binnenkrijgen.Roken verhoogt het risico op dikkedarmpoliepen
Het roken van sigaretten gedurende een lange periode verhoogt het risico op dikkedarmpoliepen. Het is nog onduidelijk of door roken ook het risico op darmkanker verhoogd wordt.Andere risicofactoren
Lichamelijke (in)activiteit en overgewicht belangrijke risicofactorenLichamelijke inactiviteit is een belangrijke risicofactor voor dikkedarmkanker, en niet zozeer voor endeldarmkanker. Overgewicht verhoogt het risico op dikkedarmkanker en endeldarmkanker. Het gaat hierbij met name om vet dat zich bevindt in de buikstreek ("appeltjesvorm"). Gezien de sterke toename van overgewicht in Nederland, kan de rol van overgewicht bij het ontstaan van darmkanker belangrijker worden.
Gebruik van hormonen na menopauze kan beschermen tegen darmkanker
Het krijgen van kinderen (op jongere leeftijd) biedt mogelijk bescherming tegen het ontstaan van darmkanker bij vrouwen. Pilgebruik heeft waarschijnlijk geen invloed op het risico op darmkanker. Het gebruik van oestrogenen na de menopauze zou bescherming kunnen bieden tegen dikkedarmkanker.
Gebruik van aspirine verlaagt het risico op darmkanker
Regelmatig aspirinegebruik en het gebruik van andere (niet-corticosteroïde) ontstekingsremmers (zoals Ibuprofen) kan het risico op darmpoliepen en dikkedarmkanker verlagen. Hierbij speelt aangeboren gevoeligheid voor deze ontstekingsremmers mogelijk een rol. Ook mensen met de erfelijke vorm van darmkanker FAP zijn mogelijk gebaat bij een hoger gebruik van bepaalde ontstekingsremmers.
In 2003 bijna 10.000 nieuwe patiënten met darmkanker
Het aantal nieuwe patiënten (incidentie) dat met dikkedarm- en/of endeldarmkanker werd gediagnosticeerd in 2003 bedroeg 0,64 per 1.000 mannen en 0,58 per 1.000 vrouwen (absoluut 5.157 mannen en 4.741 vrouwen). Het risico om darmkanker te krijgen is voor mannen en vrouwen vrijwel gelijk. Darmkanker komt het meest voor bij personen ouder dan 60 jaar. Tot de leeftijd van 75 jaar zijn er meer mannen die darmkanker krijgen dan vrouwen. Vanaf 75 jaar zijn er meer vrouwen dan mannen die darmkanker krijgen. In absolute aantallen uitgedrukt, komt kanker van de dikke darm meer bij vrouwen voor. Endeldarmkanker komt daarentegen meer bij mannen voor. Bij 5 tot 6% van de personen met darmkanker wordt gelijktijdig of op een later tijdstip ook kanker elders in de dikke darm of endeldarm vastgesteld.Ongeveer 39.000 mensen hebben darmkanker
Het aantal personen met dikkedarmkanker- en/of endeldarmkanker op 1 januari 2002 wordt (op basis van de registraties in de IKZ-regio en in de IKA-regio) geschat op 2,5 per 1.000 mannen en 2,4 per 1.000 vrouwen (absoluut 19.500 mannen en 19.500 vrouwen). Het betreft hier de 10-jaarsprevalentie. Dit wil zeggen het aantal mensen dat in de tien jaar voorafgaand aan de peildatum (1 januari 2002) darmkanker heeft gekregen en op de peildatum nog in leven is. In 2004 overleden 4.429 mensen aan darmkanker. In 2004 overleden 21,0 per 100.000 mannen en 21,5 per 100.000 vrouwen aan dikkedarmkanker (absoluut 1.694 mannen en 1.772 vrouwen). In datzelfde jaar overleden 7,0 per 100.000 mannen en 4,8 per 100.000 vrouwen aan endeldarmkanker (absoluut 566 mannen en 397 vrouwen). In het geheel zijn in 2004 iets meer mannen aan darmkanker overleden dan vrouwen (absoluut 2.260 mannen en 2.169 vrouwen). In de periode 1990-2003 is het aantal nieuwe gevallen (incidentie) van darmkanker licht gestegen. Gecorrigeerd voor de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking, bedroeg deze stijging 16% voor mannen en voor 11% voor vrouwen. Het aantal patiënten met darmkanker in de periode 1998-2004 naar schatting met 5% toegenomen. Deze schatting is gebaseerd op de 10-jaarsprevalentie in de IKA-regio. Voor dikkedarmkanker bedroeg de toename in deze periode 3% en voor endeldarmkanker 11%. De toename in het aantal patiënten met darmkanker is zowel het gevolg van de hierboven beschreven stijging van de incidentie als van een daling van de sterfte aan endeldarmkanker.Sterfte licht gedaald
Na een toename van sterfte door dikkedarmkanker in de jaren tachtig, en een stabilisatie in de jaren negentig, is de sterfte bij mannen vanaf eind jaren negentig gedaald. In 2004 is de sterfte weer vrijwel even hoog als in het begin van de jaren tachtig. Bij vrouwen is de sterfte in de hele periode 1980-2004 licht gedaald. De sterfte aan endeldarmkanker is in de periode 1980-2004 gedaald, zowel bij mannen (37%) als bij vrouwen (45%). De daling was het sterkst in de jaren tachtig en wijst op een lichte verbetering van de overleving van patiënten met darmkanker.In 1950 stierven meer vrouwen dan mannen aan darmkanker; in 1990 is dat verschil verdwenen.Bevolkingsgroei en vergrijzing leiden tot toename darmkanker
Omdat het voorkomen van endeldarm- en dikkedarmkanker toeneemt met de leeftijd zal vergrijzing en groei van de bevolking een groot effect hebben op het voorkomen in de toekomst: op grond van alleen demografische ontwikkelingen is de verwachting dat het absoluut aantal nieuwe patiënten met darmkanker in de periode 2005-2025 zal toenemen met 41,7%.Oppassen met de zon en melanoom
Omschrijving
Een maligne melanoom is de meest agressieve vorm van huidkanker, welke bestaat uit melanomacellen. Dit zijn cellen die moeten beschouwd worden als de kwaadaardige vorm van normale pigmentcellen (melanocyten) in de opperhuid. Het ontstaat dan ook meestal op een plek waar al een moedervlek, zat maar het kan ook op een gave huid ontstaan. Melanomen hebben de trieste eigenschap zeer snel uit te zaaien langs de lymfevaten naar de aangrenzende lymfeklieren of langs de bloedbaan naar longen, lever en hersenen. Melanomen komen veel meer voor dan vroeger. Oorzaken zijn onze zonnebaderscultuur. In vergelijking met de andere kankers ziet men ze vaker op een jonge en middelbare leeftijd.Wie is voorbeschikt?
- Erfelijk: het maligne melanoom komt in bepaalde families meer voor.
- Mensen met rood haar, bleke huid, licht blauwe ogen, blond haar zijn duidelijk risicopersonen. Die mensen bruinen ook minder gemakkelijk en hun toenemen van pigment na zonnen biedt ook minder bescherming dan bij mensen met donkere huid, of zwart haar en bruin haar.
- Als kind vòòr het 5e levensjaar regelmatig zonverbrand zijn.
- Mensen met zeer veel huidvlekjes (= naevus) en dan vooral deze met meer dan 50 vlekjes zijn ook voorgeschikt.
- Mensen met grote letsels van bij de geboorte (handpalm groot).
Hoe herkennen
- Regelmatig in de spiegel kijken of je partner laten kijken.
- Bij twijfel moet u onmiddellijk naar de dokter gaan.
- Ook op handpalmen, voetzolen en in de behaarde hoofdhuid kunnen melanomen of zwarte verkleuringen optreden.
- Zon of niet zon beschenen huidoppervlaktes maken geen verschil.
- Al of niet door wrijving maakt geen verschil.
- Niet alle melanomen zijn zwart gekleurd.
- Uitzonderlijk treft men ook maligne melanomen aan in de slijmvliezen (bv. in de mond, de ogen, de vagina, enz.)
- ABCDE regel: A= asymmetrisch B=boord C= color D=diameter (>2cm) E=evolutie.
- Vlekken die veranderen volgens de ABCDE regel of die ontstaan op latere leeftijd.
- Zelfs voor artsen met ervaring blijft het een moeilijke taak om met het blote oog een onderscheid te maken tussen goed- en kwaadaardige huidvlekken. Bij twijfelgevallen wordt het verdachte vlekje daarom steeds weggenomen voor verder onderzoek.
Hoe voorkomen: minder zon - zon met verstand
Vooral voor kinderen zijn die maatregelen zeer belangrijk:- Zonnecreme aanbrengen ½ uur voor blootstelling aan zon (vergeet hoofd, ogen, oren en neus niet): zie hieronder.
- Laat de huid voorzichtig wennen aan de zon en voorkom zonnebrand. Ga niet vanaf de eerste dag in Spanje liggen bakken.
- Kinderen uit fel zonlicht houden.
- Regelmatig schaduw opzoeken.
- Niet op de warmste uren zonnebaden. Als uw schaduw korter is dan jezelf opletten.
- Hoe hoger hoe meer schadelijke stralen zoals in de bergen. Hoe dichter bij de evenaar, hoe meer schadelijke stralen.
- Water, zand en sneeuw weerkaatsen de zon. Ook onder een parasol vang je stralen.
- Kledij aanhouden bij felle zon.
- Pet met vooruitstekende klep of hoed met brede rand dragen.
- Minder zonnebank: zowel de UvA als de UvB zijn schadelijk.
Wat helpt niet
- Een natte witte T shirt = geeft slechts beschermingsfactor 5.
- Huid voorbereiden met de zonnebank.
- Ook de ogen kunnen door UV-straling worden beschadigd. Draag daarom zonnebrillen met een goed UV-filter. Koop voor kinderen nooit speelgoedzonnebrillen.
Zonnebrandcreme
Zonnebrandcreme is een effectieve manier om de huid te beschermen tegen UV-straling. Elke zonnebrandcreme geeft een bepaalde graad van bescherming. Dit staat altijd op de verpakking vermeld en wordt de Sun Protection Factor (SPF) genoemd. SPF 2 blokkeert 50% van de UV straling, SPF10 blokkeert 90%, SPF25 blokkeert 96% en SPF50 98 %.- Kiezen van een zonnebrandcreme:
Wanneer het gaat om optimale bescherming en verder niets, is een crème met een zeer hoge SPF de beste keus. Is het doel echter om op een zo veilig mogelijke manier bruin te worden, moet een crème met een lagere factor gekozen worden. Wanneer de blootstelling aan de zon slechts kort zal zijn, kan een relatief lage SPF gekozen worden. Bij langere blootstelling moet weer voor een crème met een hogere SPF gekozen worden.
- Omdat de huid van kinderen extra makkelijk beschadigd kan worden door UV-straling moeten kinderen altijd optimaal beschermd worden met een hoge factor.
- De onderstaande tabel geeft een indicatie welke crème voor welke huid het meest geschikt is.
- In de meeste gevallen is SPF van 15 voldoende (dit blokkeert reeds 95% de schadelijke straling). De laatste 5% kunnen wel voor een aanzienlijk prijsverschil zorgen.
- Hoeveel: dik genoeg: om de bescherming te krijgen die de zonnebrandcrème belooft te geven, moet de crème vrij dik op de huid worden aangebracht. Zuinig smeren vermindert de protectiefactor.
- Hoe vaak: meermaals per dag: de beschermende zonnebrandcrèmelaag slijt in een aantal uur. Dit wordt versneld door het dragen van kleding, liggen in het zand en zwemmen. De 'waterproof' cremes blijven weliswaar beter op de huid zitten na watercontact, maar toch blijft noodzakelijk om de huid regelmatig opnieuw in te smeren.
Waaraan herken je een melanoom?
Regel 1
Veel huidafwijkingen hebben pigment, maar wees alert op onregelmatigheid van kleur en omtrek! De omtrek van deze plek is zeer onregelmatig en op sommige plaatsen bobbelig. Ook de kleur is onregelmatig. Verschillende tinten zwart, bruin en zelfs wit en rood.
Regel 2
Veel huidafwijkingen met pigment groeien, maar wees alert op onregelmatig groeiende plekken! Het oppervlak van deze plek is onregelmatig; op sommige plaatsen bobbelig en op andere vlak. Ook de omtrek is onregelmatig. Zou je een denkbeeldige lijn trekken door de plek en één helft omslaan op de andere; dan passen de helften niet op elkaar. Een kwaadaardige afwijking is niet symetrisch.
Regel 3
Iedereen krijgt wel moedervlekken, maar wees alert op moedervlekken die op latere leeftijd ontstaan! Deze afwijking ontstond toen de patient de 50 was gepasseerd. Te laat! Normale moedervlekken ontwikkelen zich in de kindertijd of bij jong volwassenen. Dit is een melanoom. Het feit dat er in deze plek haar groeit doet daar niets aan af.
Regel 4
Er zijn veel verschillende moedervlekken, maar wees alert op moedervlekken die groot zijn! Moedervlekken groter dan 1 centimeter zijn ongewoon. Kijk eens naar de afmeting van deze, welke echt een melanoom is. Let ook op het onregelmatige oppervlak, de onregelmatige a-symmetrische omtrek en de kleur.
Dit zijn de hoofdzaken om een melanoom aan te herkennen. Wees alert op moedervlekken met deze kenmerken
- onregelmatig oppervlak
- onregelmatige kleuren
- a-symmetrisch
- groter dan 1 centimeter
- ontstaan op latere leeftijd
Nu weet u hoe u de meeste melanomen kunt herkennen, maar er zijn een paar huidafwijkingen die er sterk op lijken maar goedaardig zijn.
Seborrhoïsche keratose (vettige verhoorning)
Deze goedaardige huidaandoening is vaak "schubbig" en voelt soms vettig aan. Ze kunnen ontstaan na de leeftijd van 40 en er zijn vaak veel van. Op deze foto zijn ze gelijkmatig van kleur en omtrek, maar er zijn uitzonderingen. Dit is een donker gepigmenteerde seborrhoïsche keratose. Let op het verharde of keratoïsche karakter. Er is één kenmerk welke een positieve diagnose kan geven. Dit is dezelfde plek nadat het met alcohol is natgemaakt om door de verhoorning heen te kunnen kijken. Let op de ronde witte gebiedjes die nu zichbaar zijn. Deze "pearls of keratin" zijn karakteristiek voor deze huidaandoening en hiermee blijkt dit dus geen melanoom te zijn. Deze plek is a-symmetrisch en onregelmatig van oppervlak. Toch is het geen melanoom door de aanwezigheid van deze keratin parels.
Hemangioma (Bloedvin)
Iets anders wat de huid kan kleuren is bloed. Als een bloeding in de huid of een huidaandoening plaats vindt, kan de plek zwart worden. Hiernaast een voorbeeld van een bloeding in een hemangioma. Hemangioma's zijn relatief normaal en ontstaan op een volwassen leeftijd.
Aderlijk bloed is donker
(Het is zuurstof arm in tegenstelling tot slagaderlijk bloed wat helder rood is) Hier zien we een verwijding van een bloedvat in de huid van een oor. Doordat het aderlijk bloed zuurstofarm is kleurt de plek blauw/zwart. Gaan we de plek onder druk zetten door in dit geval aan het oor te trekken, dan zien we dat de plek verdwijnt.
Behandeling van bottumoren
Botkanker is een zeldzame maar vrij agressieve vorm van kanker. In het UZA worden bottumoren behandeld door een multidisciplinair team, dat elke twee weken samenzit om moeilijke gevallen te bespreken. Maar naast de medische kant verdienen ook de psychische gevolgen van de ziekte aandacht, onderstreept orthopedisch chirurg Johan Somville. "Voor de patiënten draait het om leven en dood. Als arts moet je er volledig voor hen zijn."
Zeldzame vorm van kanker
Een tiener loopt een banale verstuiking op bij een voetbalwedstrijd en laat een foto nemen in het ziekenhuis. En dan blijkt er opeens een gat te zijn in het bot van het onderbeen. De helft van de bottumoren komt op zo'n toevallige manier aan het licht. Voor zover er bij botkanker al symptomen zijn - voornamelijk vage pijn - doen die bij de huisarts niet altijd een belletje rinkelen. Want in tegenstelling tot bijvoorbeeld borst- en longkanker is botkanker vrij zeldzaam en daardoor ook onbekend. In België komen er jaarlijks zo'n 120 tot 130 nieuwe gevallen voor. "De patiënten behoren in grote lijnen tot twee leeftijdscategorieën. Enerzijds zijn er de tieners en de jonge twintigers, anderszijds de groep tussen veertig en zestig jaar", zegt Somville, gespecialiseerd in het opereren van tumoren in botten, spieren en pezen.
Diagnosestelling
Is er sprake van een bottumor, dan kan verder onderzoek, een radiografie, scans en een biopsie uitsluitsel geven over de aard ervan. Bij een biopsie wordt chirurgisch een heel klein stukje van de tumor verwijderd. Somville: "Het is van groot belang dat die biopsie en de eventuele operatie achteraf door dezelfde chirurg gebeuren. Bij de biopsie moet de chirurg zich immers een weg banen door gezond bot, om zo tot bij de tumor te raken. Maar het zo ontstane traject kan later ook door kankercellen worden aangetast. Vandaar moet het nadien in zijn geheel mee verwijderd worden, samen met de tumor. Alleen de chirurg die de biopsie heeft uitgevoerd, weet precies waar er gesneden is. Vandaar is het ook zo belangrijk dat de patiënt vanaf het begin bij een arts terechtkomt die ervaring heeft in de materie." Blijkt de tumor kwaadaardig, dan wacht de arts de moeilijke taak om het slechte nieuws aan de patiënt te brengen. Eerlijkheid is op dat moment van groot belang, beklemtoont Somville. Want tijdens de zware behandeling die volgt, is de vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt cruciaal. "Vergeet niet: als het ooit misloopt, is vertrouwen het enige dat overblijft. Als je begint met leugens te vertellen, wordt dat vertrouwen onherroepelijk ondermijnd. Ik zeg mijn patiënten altijd dadelijk wat er aan de hand is. Het is tenslotte ook hun leven en hun lichaam." Als iemand te horen krijgt dat hij kanker heeft, is hij die eerste uren niet meer in staat om andere informatie op te nemen, weet Somville uit ervaring. "Zelf zou ik het ook moeilijk hebben als iemand me zei 'jij hebt kanker'. Als arts moet je de dingen daarom niet één maar twee of drie keer uitleggen. De gesprekken die ik met patiënten voer, duren vaak lang en zijn heel intensief. De psychische weerslag van de ziekte is niet te onderschatten. Die mensen zijn met leven en dood bezig, zo eenvoudig is dat. Op dat moment moet je er als arts echt voor hen zijn." Ook als de patiënt vraagt 'wat zijn kansen zijn', krijgt hij een eerlijk antwoord. Van de patiënten met botkanker geneest vandaag twee derde. Pakweg vijftien jaar geleden was dat maar tien procent.
Behandeling
De therapie bestaat, afhankelijk van de aard van de tumor, uit chirurgie, radiotherapie of chemotherapie, of een combinatie daarvan. "De tumor wordt volledig - en bloc zoals wij dat noemen - verwijderd", legt Somville uit. "Om zeker te zijn dat er geen kankercellen achterblijven, snijden we een stuk gezond weefsel rond de tumor mee weg. Dat resulteert in een gat van minimaal een paar centimeter en maximaal dertig centimeter. Om dat op te vullen zijn er verschillende reconstructiemethodes. Je kan overwegend donorbot gebruiken of voornamelijk prothesemateriaal. Een reconstructie kan vrij groot zijn: ik heb ooit een half bekken vervangen. Maar ongeacht de methode houdt de reconstructie maar een tiental jaar stand. Nadien moeten we opnieuw opereren. Een uitdaging voor de toekomst is dan ook op zoek gaan naar reconstructies die langer houden."
Amputatie bij één op vijf patiënten
Dankzij de lidmaatsparende chirurgie van vandaag komen amputaties veel minder vaak voor dan vroeger: een tiental jaar geleden nog in tachtig procent van de gevallen, nu is dat nog twintig procent. "We doen alles om iemands been te sparen. Maar als een patiënt zonder amputatie geen overlevingskans heeft, hebben we geen keuze. De meeste mensen hebben daar begrip voor. Ze stellen zich in de eerste plaats de vraag: 'hoe kan ik overleven?' Soms is er wel een keuze: we kunnen bijvoorbeeld het been wel behouden, maar dan is de kans dat de kanker terugkeert groter dan wanneer we amputeren. Dan zie je vaak dat die mensen zeggen 'dokter, amputeer toch maar." In andere gevallen is amputatie niet nodig om de tumor klein te krijgen, maar wel om een normale bewegingsvrijheid toe te laten. Want soms moet er zoveel bot weggenomen worden, dat een reconstructie nog nauwelijks haalbaar is. Tenslotte zijn er ook binnen het reconstructiegebeuren verschillende methodes, met elk hun voor- en nadelen. Somville: "Ik informeer de patiënt heel grondig, zodat hij goed weet waarvoor hij kiest. Dat moet ook. Want na de ingreep volgt een zware revalidatie, die alleen maar kan slagen als die persoon voor 300 procent achter zijn keuze staat. Mensen vertellen me wel eens dat ze een nachtje wakker gelegen hebben van die beslissing. Wel, van mij moeten ze er van wakker liggen."
Revalidatie
De revalidatie na de eigenlijke behandeling duurt al gauw zes maanden tot een jaar. Nadat het vreemde bot is ingegroeid, leert de patiënt zijn been opnieuw gebruiken met behulp van kinesitherapie. "En dan zien we ze hier vertrekken", glimlacht Somville. "Met hun beperkingen. Zware fysieke arbeid of belastende sporten, zoals skiën, paardrijden of voetballen, zijn er voor patiënten met een reconstructie niet meer bij. Maar wandelen en zwemmen kan bijvoorbeeld wel. Meestal aanvaarden ze die beperkingen vrij goed. Het is de prijs die ze betalen om in leven te blijven, of hun been te behouden."
Psychologische weerslag
Psychisch worden de meeste patiënten nooit meer als voordien. "Mensen die zoiets hebben meegemaakt, leven anders", weet Somville. "Jongeren van veertien of zestien worden in een paar maanden tijd een heel stuk volwassener. Alsof ze opeens 25 zijn. Ze zijn vaak wijzer dan andere mensen. Ik heb al veel van mijn patiënten geleerd. Relativeringszin bijvoorbeeld. Dat je niet moet zeuren omdat het vandaag slecht weer is, of omdat de soep te zout is." Het schrikbeeld van hun ziekte blijft patiënten vaak nog jarenlang parten spelen. "Alsof er een spookje voortdurend in de hoek van de kamer zit", omschrijft Somville. "Op sommige momenten wordt dat spookje opeens heel groot. Als de patiënt op controle komt bijvoorbeeld."
De feiten over maagkanker!
Verklaring trends
De daling van de incidentie en sterfte aan maagkanker wordt in verband gebracht met de bacterie Helicobacter pylori en veranderingen in voedingsgewoonten of nog onbekende omgevingsfactoren. Er zijn aanwijzingen dat de incidentie en prevalentie van Helicobacter pylori in Nederland zijn gedaald. Ook in andere hoogontwikkelde landen in Europa, Noord-Amerika, Australië en Japan zijn deze dalingen waargenomen.
Voedingsgewoonten
Dat voedsel nu gekoeld bewaard wordt in plaats van gezouten, zoals dat vroeger gebeurde, is waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak van de daling van het aantal nieuwe gevallen van maagkanker. De huidige ontwikkelingen op het gebied van
Screeningsprogramma en vaccin kunnen incidentie verder verlagen
In de periode tot 2015 zal het waarschijnlijk mogelijk zijn door een screeningsprogramma asymptomatische personen die geïnfecteerd zijn met Helicobacter pylori op te sporen en te behandelen. Te screenen personen zouden oud genoeg moeten zijn om re-infectie te voorkomen en jong genoeg om het carcinogene effect van de bacterie te kunnen voorkomen. Bij behandeling van Helicobacter pylori kan in een hoog percentage van de gevallen volledige genezing worden bereikt, al zijn er reeds gevallen van therapieresistentie. Verder is een vaccin in ontwikkeling voor niet-geïnfecteerden. Door zowel screening als vaccinatie zouden de incidentie en sterfte aan maagkanker in de toekomst sterker kunnen dalen dan zonder deze interventies. Wel zal het effect van een screeningsprogramma pas na vele jaren (oplopend tot 50 jaar) zichtbaar worden. Men veronderstelt namelijk dat het carcinogene effect van infectie met de Helicobacter pylori in een vroeg stadium van het natuurlijk beloop van maagkanker plaatsvindt.
Chirurgische behandeling leidt niet vaak tot volledige genezing
Operatieve verwijdering van een maagtumor is in principe de enige behandeling die uitzicht biedt op genezing en langdurige overleving. Afhankelijk van de tumorlokalisatie en –grootte wordt een deel van de maag of de gehele maag verwijderd (maagresectie). Deze ingreep gaat gepaard met een ziekenhuissterfte van ongeveer 4-10%. Bovendien krijgt ongeveer 35% al tijdens de ziekenhuisopname (van gemiddeld 3 weken) complicaties die samenhangen met de operatie. De 5-jaarsoverleving na deze in opzet curatieve behandeling is slechts circa 30-45%. De ziekte keert vaak terug in het geopereerde gebied of in andere organen (lever, buikvlies). De overleving na operatie is sterk afhankelijk van de leeftijd van de patiënt, de algehele conditie en bijkomende ziekten. Als de tumor beperkt is gebleven tot de oppervlakkige maagwand is een lokale behandeling/verwijdering van de tumor te overwegen; zeker bij patiënten die een hoog operatierisico hebben. Dit kan via endoscopische behandelingen (fotodynamische therapie, endoscopische mucosaresectie of ablatie). Deze in opzet curatieve behandelingen worden echter vooralsnog voornamelijk in studieverband toegepast.
Chemo-radiotherapie na in opzet curatieve operatie
Aanvullende chemotherapie na een operatie waarbij geen tumorresten zijn achtergebleven geeft geen verlenging van de overleving. Dit wordt daarom niet aanbevolen. Recent verschenen echter de resultaten van een onderzoek naar de waarde van post-operatieve chemotherapie in combinatie met radiotherapie. Uit de studie bleek dat post-operatieve chemo-radiotherapie overwogen moet worden, met name bij patiënten met een verhoogd risico voor terugkeer van de ziekte.
Palliatieve behandeling door maagresectie
Als de tumor niet meer lokaal te verwijderen is, dan is de behandeling gericht op het verminderen van (te verwachten) klachten (palliatie). Vaak blijkt pas tijdens een in opzet curatieve operatie dat de tumor toch niet geheel verwijderd kan worden. Bij iedere patiënt die chirurgisch niet te genezen is, maar geen uitgebreide uitzaaiingen heeft, dient een palliatieve maagresectie overwogen te worden. Hoewel de overleving slechts 8-11 maanden is, kan de maagresectie symptomen van bloeding, pijn of obstructie verlichten of wegnemen. Als er echt geen resectie meer mogelijk is, dan is een bypass (=omleiding) rond de tumor een optie.
Palliatieve behandeling door radiotherapie en/of chemotherapie
Als er sprake is van een niet (geheel) te verwijderen tumor kan radiotherapie worden overwogen. Eventueel in combinatie met chemotherapie kan dit een verlenging van de overleving geven. Ook bij ernstige bloedingen uit tumoren kan radiotherapie worden toegepast. Het effect van chemotherapie bij patiënten met maagkanker in een vergevorderd stadium is slechts gering maar wel significant. Soms geeft het verlenging van de levensduur en/of een verbetering van de kwaliteit van leven. Daarom moet bij niet te genezen patiënten chemotherapie zeker overwogen worden. Op de huidige chemotherapeutica reageert echter slechts 20% tot 40% van de patiënten. De overleving is hierbij tussen de 6 en 12 maanden.
Melanoom, oppassen voor huidkanker!
Wat is een melanoom?
Het melanoom van de huid is een vorm van huidkanker die uitgaat van de pigmentcellen (melanocyten), die overal in de huid voorkomen. In vergelijking met ander soorten huidkanker is het melanoom een agressief groeiende tumor die de neiging heeft relatief snel uit te zaaien.
Wat zijn melanocyten?
Normale melanocyten beschermen de huid tegen de schadelijke invloed van zonlicht. Wanneer melanocyten in groepjes voorkomen kunnen duidelijke pigmentvlekken zichtbaar zijn: deze pigmentvlekken kennen wij allemaal als moedervlekken. Net als andere soorten cellen in het lichaam kunnen melanocyten veranderen in kankercellen. Dit kan zowel met melanocyten in moedervlekken gebeuren als met melanocyten elders in de huid.
Wie krijgt melanoom?
Terwijl de meeste vormen van kanker vooral bij ouderen wordt gezien, is het melanoom een tumor die relatief vaak bij jonge patienten wordt gezien. Het is, samen met o.a. leukaemie, een van de belangrijkste soorten kanker die bij jonge mensen voorkomt. Melanoom op de kinderleeftijd is overigens uitermate zeldzaam. Melanoom is soms een familiaire ziekte: meerdere leden van een familie of zelfs een gezin hebben melanoom: het is verstandig dat mensen die deel uit maken van een dergelijke familie contact opnemen met een dermatoloog. Per jaar wordt in Nederland circa 2400 keer een melanoom vastgesteld.
Wat zijn risicofactoren voor melanoom?
De belangrijkste risico factoren zijn:
- Licht huidtype
Mensen met een zeer licht huidtype (makkelijk zonverbranding) hebben groter risico op melanoom
- Zonverbranding op kinderleeftijd
Regelmatige zonverbranding vòòr het 5e levensjaar lijkt een verhoogd risico te geven op ontwikkelen van melanoom op latere leeftijd.
- Moedervlekken
Sommige moedervlekken hebben een verhoogd risico om te ontaarden in een melanoom. Dit betreft vooral de atypische moedervlekken en zeer grote aangeboren moedervlekken.
Op welke verschijnselen kunt u letten?
Melanomen ontstaan vaak in reeds bestaande moedervlekken. De moedervlek ondergaat hierdoor veranderingen. Deze veranderingen kunnen zijn:
- Kleurverandering in de moedervlek
Nieuwe donkere elementen of juist lichte ophelderingen zijn verdacht.
- Verandering van vorm van de moedervlek
Als de moedervlek een grillige begrenzing krijgt of dikker wordt kan dit betekenen dat zich een melanoom aan het ontwikkelen is.
- Jeuk
- Pijn
- Bloeden
Let wel: niet ál deze verschijnselen hoeven op te treden wanneer een moedervlek verandert in een melanoom! Als een moedervlek spontaan ontstaat uit melanocyten in de gewone huid ontstaat er een plekje dat aanvankelijk lijkt op een gewone moedervlek. Deze plek kan echter dezelfde verschijnselen gaan geven zoals hierboven beschreven bij de veranderende moedervlek.
Welke soorten melanoom zijn er?
Melanoma in situ
Dit is nog geen melanoom, maar het laatste stadium van verandering voordat een echt melanoom ontstaat. Er is weliswaar al sprake van kankercellen, maar deze zitten nog ‘opgesloten’ in het bovenste laagje van de huid, de opperhuid (epidermis).
Oppervlakkig spreidend melanoom (superficieel spreidend melanoom)
De meeste melanomen vallen onder deze categorie. Deze melanomen hebben vaak een relatief groot oppervlak, maar groeien nog meestal niet diep in de huid.
Nodulair melanoom
Bij dit type melanoom is er al in een relatief vroeg stadium sprake van een tumor-achtige ophoping van melanoomcellen. Aan de oppervlakte is dit vaak te zien als een donkergrijs of donkerblauw ‘bobbeltje’ in de moedervlek.
Acrolentigineus melanoom
Dit, in Nederland zeldzame, type wordt gezien aan de handen (vingers/nagels) en voeten (tenen/nagels).
Melanoom van de slijmvliezen
Zeldzaam is het melanoom aan het mondslijmvlies, de binnenzijde van de oogleden en de vagina.
Oogmelanoom
Melanomen kunnen behalve aan de huid en slijmvliezen ook in het oog voorkomen. Op dit specifieke melanoom zal hier niet verder worden ingegaan.
Ongepigmenteerd melanoom (amelanotisch melanoom)
Dit is een ongekleurde variant van het gewone melanoom. Het is een berucht type, omdat het niet lijkt op een melanoom en daarom vaak laat ontdekt wordt.
Hoe wordt het melanoom behandeld?
Behandeling (1) – operatieve verwijdering
Wanneer de huisarts vermoedt dat er sprake is van een melanoom zal hij de patient in de regel doorverwijzen naar de dermatoloog. De dermatoloog beoordeelt de verdachte afwijking met het blote oog en vaak ook met een speciaal microscoopje dat op de huid kan worden geplaatst (de ‘dermatoscoop’). Wanneer de dermatoloog een melanoom vermoedt zal hij de verdachte plek operatief verwijderen met een marge van enkele millimeters. Foto's van deze ingreep vind U hier. Het verwijderde stukje huid zal door de patholoog worden onderzocht. Als het inderdaad blijkt te gaan om een melanoom zal de patholoog de dikte van het melanoom meten (‘Breslow-dikte’). Uit vele onderzoeken is gebleken dat de dikte van het melanoom de belangrijkste voorspellende factor is voor de prognose: hoe dunner het melanoom hoe beter de overlevingskansen.
Behandeling (2) – operatieve verwijdering litteken
Zodra de dikte van het melanoom bekend is wordt het verdere beleid uitgestippeld. Bij dunne melanomen (dunner dan 1 millimeter) wordt het oorspronkelijk litteken opnieuw verwijderd, doorgaans met een lapje huid van 1 centimeter breed aan weerszijde van het litteken. Bij dikkere melanomen (groter dan 1 millimeter) wordt het litteken meestal met een grotere marge operatief verwijderd.
Behandeling (3) - lymfeklieronderzoek
Zodra de diagnose melanoom zeker is zal de behandelend arts naar de lymfeklieren voelen. Melanomen kunnen zich wanneer zij uitzaaien namelijk nestelen in de lymfeklieren, en wanneer dit reeds heeft plaatsgevonden wordt het verder behandelbeleid hierop aangepast. In de meeste gevallen zullen de verdachte lymfeklieren worden verwijderd voor onderzoek. Wanneer het een dik melanoom betreft en er worden geen verdikte lymfeklieren gevoeld, wordt soms toch via een speciale techniek onderzocht of er uitzaaiingen hebben plaatsgevonden. Dit heet de poortwachtersklier-procedure. Met dit onderzoek kan de lymfeklier worden opgezocht die het meest waarschijnlijk als eerste aangedaan zou zijn bij uitzaaiing. Bij melanomen dunner dan 1 mm wordt naast het voelen naar de lymfeklieren meestal geen aanvullend onderzoek naar de lymfeklieren uitgevoerd.
Behandeling (4) – aanvullende behandelingen
Bij verreweg de meeste patienten bij wie melanoom is geconstateerd is verdere behandeling niet nodig. Indien er echter toch sprake is van verdere uitzaaiingen van het melanoom kan gekozen worden voor aanvullende behandelingen. Deze kunnen bestaan uit:
- Bestraling
Bestraling (radiotherapie) wordt soms gegeven op het huidgebied waar het melanoom is weggehaald en soms ook ter plekke van uitzaaiingen. Kankercellen kunnen bestraling slechter verdragen dan gewone cellen. Geprobeerd wordt de dosis straling zo te kiezen dat de melanoomcellen vernietigd worden terwijl het normale weefsel zo min mogelijk beschadigd raakt.
- Chemotherapie
Bij uitgezaaid melanoom wordt soms gekozen voor behandeling met chemotherapie. Voor deze therapie worden cytostatica gebruikt. Dit zijn zeer agressieve medicijnen die de deling van cellen belemmeren. Het wordt in de vorm van pillen of infuus (in de bloedbaan) toegediend en komen dus in het gehele lichaam. Kankercellen (die meestal snel delende cellen zijn) zijn gevoeliger voor cytostatica dan de normale weefsel cellen en zullen daarom eerder worden ‘uitgeschakeld’ dan de meeste gezonde cellen in het lichaam. Helaas hebben cytostatica veel bijwerkingen (moeheid, haaruitval etc.).
- Immunotherapie
Immunotherapie is vooralsnog overwegend een experimentele therapie. Er zijn verschillende soorten immunotherapie in ontwikkeling. Meestal betreft het vaccins tegen melanoomcellen of ‘opgewerkte’ witte bloedcellen die de tumor selectief moeten aanvallen. Immunotherapie wordt in gespecialiseerde centra uitgevoerd.
Controle
Nadat de behandeling is uitgevoerd wordt de patient gedurende 5 tot 10 jaar gecontroleerd. Meestal gebeurt dit door de dermatoloog of door de dermatoloog en chirurg gezamenlijk. De controles worden in het 1e jaar 3-4x uitgevoerd. Daarna neemt, als zich geen problemen voordoen, de controlefrequentie af. De controle bestaat uit inspectie van het litteken en het voelen naar de lymfeklieren. Tevens wordt de huid nagekeken op onrustige moedervlekken. In bijzondere situaties zal uitgebreider onderzoek plaatsvinden.
Wat zijn de vooruitzichten?
Een van de eerste dingen die iemand wil weten die met de diagnose 'melanoom' wordt geconfronteerd is: wat zijn mijn overlevingskansen? Voorspellingen zijn moeilijk. Elk geval van melanoom is verschillend en er kunnen vele factoren zijn die de prognose beinvloeden. De overlevingskans is sterk afhankelijk van het feit of het melanoom al uitzaaiingen heeft gevormd of niet. Als het melanoom geheel verwijderd is en er zijn geen uitzaaiingen, dan is de prognose 100%, want de patient is genezen. Helaas is nooit met zekerheid te zeggen dat een melanoom niet uitgezaaid is op het moment dat het melanoom door de arts wordt verwijderd. Er kunnen al individuele melanoomcellen van de oorspronkelijke tumor losgeraakt zijn, die in de loop van de tijd op andere plaatsen in het lichaam een nieuwe tumor gaan vormen. Deze ‘micro’-uitzaaiingen zijn in het begin van de controleperiode vaak moeilijk of niet op te sporen. Uit grote onderzoeken blijkt steeds opnieuw dat de kans op uitzaaiingen duidelijk toeneemt naarmate het oorspronkelijk melanoom dikker is. Bij 90-95% van de patienten met een melanoom dunner dan 1 mm komt de ziekte niet terug. Naarmate het melanoom dikker wordt neemt het percentage patienten bij wie na 5 jaar nog geen uitzaaiing van het melanoom is gevonden geleidelijk af. Wanneer er sprake is van uitzaaiingen worden de vooruitzichten ongunstiger.
Voorkómen van melanomen
- Verstandig zonnen
Bij het ontstaan van de meeste melanomen lijkt de zon een rol te spelen. Herhaaldelijke zonverbrandingen, vooral die vóór het 5e levensjaar zijn doorgemaakt, verhogen de kans op latere melanoomontwikkeling. Bescherm huid, en vooral de huid van kinderen, daarom goed tegen zonverbrandingen.
- Zelfcontrole
Het melanoom van de huid is een bijzondere kanker omdat hij in een vroeg stadium door de patient zelf kan worden opgemerkt. Wanneer er dus afwijkingen aan de huid zijn die een of meer van de eerder genoemde alarmsymptomen tonen, aarzel dan niet maar neem snel contact op met de huisarts!
Baarmoederhalskanker, een uiteenzetting
Wat is baarmoederhalskanker?
Baarmoederhalskanker, ook wel cervixcarcinoom genoemd, ontstaat uit cellen van het slijmvlies op de grens van de baarmoederhals en de baarmoedermond. Deze vorm van kanker ontwikkelt zich heel langzaam. In het begin verdwijnen de afwijkende cellen zelfs vaak weer vanzelf. Als het aantal afwijkende cellen toeneemt, ontstaat na verloop van tijd een voorstadium van baarmoederhalskanker. In dit stadium kan het aangetaste weefsel gemakkelijk vernietigd worden door bevriezing (cryochirurgie), laserbehandeling of met een kleine operatie. Dan is volledige genezing mogelijk. Wanneer de afwijkingen niet worden behandeld ontstaat op den duur baarmoederhalskanker. Baarmoederhalskanker komt voor bij vrouwen van alle leeftijden, maar het meest bij vrouwen van 30 tot 50 jaar en bij vrouwen van 65 tot 85 jaar. In Nederland krijgen jaarlijks ongeveer 585 vrouwen baarmoederhalskanker.
Hoe ontstaat baarmoederhalskanker?
Bij het ontstaan van baarmoederhalskanker (cervixcarcinoom) speelt het humaan papilloma virus (HPV) een rol. Dit virus kan bij geslachtsgemeenschap overgebracht worden. Geschat wordt dat 80% van alle vrouwen geïnfecteerd wordt met HPV. Bij heel veel vrouwen geneest deze infectie (die geen klachten geeft) vanzelf, maar sommige vrouwen blijven het virus bij zich dragen. Lang niet iedereen die dit virus bij zich draagt krijgt echter baarmoederhalskanker. Hoe meer wisselende seksuele contacten, hoe groter de kans is dat het virus wordt overgedragen. Het is echter niet zo dat een vrouw die baarmoederhalskanker heeft, beslist meer wisselende contacten heeft (gehad). Condooms beschermen tegen het overdragen van virussen. Baarmoederhalskanker komt vaker voor bij vrouwen die roken dan bij niet-rooksters. Roken beïnvloedt het afweersysteem, waardoor u minder weerstand hebt tegen ziekteverwekkers. Het gebruik van de anticonceptiepil heeft geen invloed op het ontstaan van de ziekte. Baarmoederhalskanker is niet erfelijk en niet besmettelijk. U hoeft niet bang te zijn dat uw partner door geslachtsgemeenschap kanker krijgt.
Hoe wordt baarmoederhalskanker vastgesteld?
Meestal is het eerste verschijnsel van baarmoederhalskanker dat een vrouw opmerkt, ongewoon bloedverlies. Bij een ongewone bloeding gaat het om bloedverlies buiten de normale menstruatie om. Komt u met klachten van ongewoon bloedverlies bij de huisarts, dan onderzoekt de arts u eerst lichamelijk. Daarbij hoort ook een inwendig onderzoek om te voelen of er afwijkingen zijn in de vorm en grootte van uw organen in de onderbuik. Ook maakt de arts een uitstrijkje. Worden er in het uitstrijkje veel afwijkende cellen gevonden, dan stuurt de huisarts u door naar een gynaecoloog. De gynaecoloog herhaalt de onderzoeken. Hij bekijkt ook de baarmoedermond met een colposcoop, een soort sterke loep. Tijdens dit onderzoek kan de arts een stukje weefsel wegnemen dat er afwijkend uitziet. Deze ingreep heet biopsie en is meestal niet pijnlijk. Een verdoving is zelden nodig. Het stukje weefsel wordt onder de microscoop bekeken door een patholoog, die vaststelt of er inderdaad sprake is van (een voorstadium van) baarmoederhalskanker.
Operatie bij baarmoederhalskanker
In een heel vroeg stadium van baarmoederhalskanker en als u een kinderwens hebt, is een conisatie voldoende om de kanker te behandelen. Dit is een kleine operatie, waarbij het bovenste stukje van de baarmoedermond wordt weggesneden. De baarmoeder zelf blijft intact. U wordt hiervoor enkele dagen in het ziekenhuis opgenomen. De operatie gebeurt onder narcose of met verdoving van het onderlichaam (ruggenprik). Na de behandeling blijft u enkele jaren onder controle. Is de baarmoederhalskanker in een vroeg stadium en hebt u geen kinderwens, dan verwijdert de chirurg de hele baarmoeder.
Bij een verdergevorderd stadium vindt een meer ingrijpende operatie plaats. Meestal wordt dan de hele baarmoeder verwijderd, eventueel samen met de eierstokken en eileiders, het bovenste deel van de schede (vagina) en een deel van het omringende steunweefsel. Ook verwijdert de chirurg de lymfeklieren uit het bekken, omdat zich hierin tumorcellen kunnen bevinden. Op de plaats waar de baarmoeder heeft gezeten, wordt de schede dichtgemaakt. Deze ingreep heet de operatie van Wertheim-Meigs. Een enkele keer vindt vóór de operatie inwendige bestraling plaats om de tumor te verkleinen, zodat de operatie beter kan worden uitgevoerd. Soms adviseert de arts uitwendige bestraling na de operatie. Dit kan nodig zijn om mogelijk achtergebleven tumorcellen te vernietigen.
Na behandeling van baarmoederhalskanker
Na een behandeling voor baarmoederhalskanker duurt het lang voordat uw lichamelijke conditie zover is hersteld dat u uw normale werkzaamheden weer kunt oppakken. Een grote gynaecologische operatie en een behandeling met radiotherapie zijn allebei zware behandelingen. U kunt nog lange tijd last hebben van extreme vermoeidheid. De emotionele verwerking van de ziekte vraagt ook veel tijd en energie. Wanneer de baarmoeder is verwijderd of als u bent bestraald, kunt u geen kinderen meer krijgen. Na het verwijderen of bestralen van de eierstokken produceert uw lichaam bepaalde geslachtshormonen niet meer. Dit betekent voor jonge vrouwen dat zij vervroegd in de overgang komen. Het tekort aan hormonen kan worden opgevangen met medicijnen. Sommige vrouwen hebben na de operatie moeilijkheden met het ophouden van de urine (urine-incontinentie). Het kan zijn dat bij de operatie kleine zenuwen van de blaas zijn beschadigd, waardoor u niet voelt dat u moet plassen. Dat is niet altijd te voorkomen. Als deze zenuwen niet goed meer werken, kan de blaas te vol raken. U verliest dan plotseling urine. De eerste maanden na de operatie is het daarom verstandig op geregelde tijden te gaan plassen. Meestal keert het signaal dat u moet plassen, na enige tijd geleidelijk terug.
Nieuwe behandeling longkanker
Een Britse arts heeft als eerste een nieuwe techniek toegepast in de lange strijd tegen kanker, zo meldt de Sunday Times, door longkanker te behandelen via het bevriezen van de zieke cellen.Omar Maiwand, verbonden aan het Harefield-ziekenhuis in Londen, gebruikt vloeibare stikstof met een temperatuur van min 190 graden celsius om de tumoren te doden bij patiënten die stuk voor stuk reddeloos leken. Van de 16 mensen die tot dusver met deze techniek werden behandeld, zijn er 7 nu al een jaar kankervrij. Longkanker is, vooral bij mannen, een van de dodelijkste vormen van deze gevreesde ziekte. In verreweg de meeste gevallen wordt de diagnose te laat gesteld om de ziekte nog te kunnen bestrijden. Bij de patiënten die wel tijdig kunnen worden behandeld, wordt doorgaans het aangetaste deel van de long(en) weggesneden en die drastische aanpak leidt doorgaans tot een langdurige herstelperiode.
Volgens dokter Maiwand richt zijn techniek veel minder schade aan de longen aan, waardoor de herstelperiode korter en minder moeilijk wordt. De methode is even doeltreffend bij het bestrijden van de tumor. De eerste test met de 'vriestechniek' werd al in 2003 uitgevoerd. Die patiënt is nog altijd in leven.
Andere oncologen reageren voorzichtig op de methode van dr. Maiwand, die zij beschrijven als "interessant maar voorlopig nog slechts in een onderzoeksstadium".
Aspartaam ook in kleine hoeveelheid kankerverwekkend
De zoetstof aspartaam, die vooral gebruikt wordt in lightproducten, blijkt een sterk kankerverwekkend product te zijn. Ook de huidige toegestane hoeveelheid in Europa is al gevaarlijk. Dat toont Italiaans onderzoek aan. De onderzoekers pleiten voor een herziening van de Amerikaanse en Europese richtlijnen. Het onderzoek, in het Cesare Maltoni Cancer Research Center in Bologna, gebeurde bij ratten. De dieren werden ingedeeld in zes groepen en kregen elke een verschillende hoeveelheid aspartaam in hun dagelijkse voeding. Na 159 weken stierf de laatste rat. De dieren werden achteraf ontleed en bleken allemaal aan kanker te lijden.Ook toonde de studie dat aspartaam al kankerverwekkend is bij een dagelijkse dosis van 20 milligram per kilo lichaamsgewicht. Dat terwijl de aanvaarde hoeveelheid in Europa 40 milligram per kilogram bedraagt. In de Verenigde Staten is dat zelfs 50 milligram. De onderzoekers pleiten dan ook voor een herziening van de richtlijnen. Volgens Pascal Houbaert van het Federaal Voedselagentschap is zo'n herevaluatie van de richtlijnen voor aspartaam aan de gang bij de Europese Voedselautoriteit. "Maar die heeft nog geen nieuw standpunt ingenomen" zo zegt hij. Aspartaam zit in meer dan 6.000 voedingsproducten, onder meer in softdrinks, kauwgum, desserts en yoghurt alsook in heel wat lightproducten. Meer dan 200 miljoen mensen gebruiken het dagelijks.
Symptomen en onderzoek van longkanker
Wat is kleincellige longkanker?
Longkanker kan kleincellig of niet-kleincellig zijn. Ongeveer 20% van de gevallen van longkanker is kleincellig. Deze vorm van kanker kenmerkt zich door hele kleine, kwetsbare cellen die zich bijzonder snel delen. Hierdoor kunnen zij zich razendsnel door het lichaam verspreiden. Vaak is kleincellige longkanker dan ook al uitgezaaid op het moment dat klachten ontstaan. De behandeling van kleincellig longkanker is volkomen anders dan bij niet kleincellige longkanker. In de meeste gevallen zal er niet operatief worden ingegrepen, maar wordt er behandeld door middel van radiotherapie (bestraling) en chemotherapie.
De symptomen
De klachten of symptomen van longkanker worden niet alleen veroorzaakt door de tumor zelf, ook de eventuele uitzaaiingen door het lichaam en hun invloed op de werking van andere organen, kunnen klachten veroorzaken. Klachten die als direct gevolg van de tumor ontstaan, zijn bijvoorbeeld: hoesten, opgeven van bloed bij het slijm, kortademigheid met soms een piepende ademhaling en herhaaldelijk optredende ontstekingen van de luchtwegen. Ook als gevolg van de uitzaaiingen kunnen diverse klachten of symptomen optreden. Door vergrote lymfklieren kan een dichtdrukken van de holle bovenste lichaamsader optreden (vena cava superior syndroom) gekenmerkt door uitgezette aderen in de hals, opgezet gelaat en armen en klachten van hoofdpijn en pijn en stuwing in het hoofd bij het voorover bukken. Heesheid kan een gevolg zijn van het kapot gaan van de zenuw die naar de stemband gaat door druk van vergrote lymfeklieren of door de tumor zelf. Pijn in de borstkas kan optreden door ingroei in de borstwand. Slikklachten kunnen ontstaan door vergrote lymfeklieren die de slokdarm dicht drukken. Omdat deze tumor zich snel uitzaait door het lichaam, kunnen ook klachten elders in het lichaam optreden. Botpijnen zowel in de rug als in de armen of benen berusten op uitzaaiingen in het bot. Hoofdpijn kan berusten op uitzaaiingen in de hersenen. Uitzaaiing in de lever kan pijn geven maar ook verantwoordelijk zijn voor geelzucht. De tumorcellen kunnen ook een soort stoffen afscheiden, of endocriene klieren (klieren die bepaalde stoffen aanmaken of afgeven) beïnvloeden. Hierdoor kan bijvoorbeeld een laag natrium gehalte in het bloed ontstaan en het kalkgehalte in het bloed kan worden verhoogd. Ook kunnen er symptomen optreden die passen bij vervrouwelijking van de man zoals borstontwikkeling en verlies van het mannelijk beharingpatroon.
Onderzoek naar longkanker
Als er een vermoeden bestaat dat iemand mogelijk longkanker heeft, moeten er heel wat onderzoeken plaatsvinden. Met deze onderzoeken wil men erachter komen of er inderdaad sprake van een tumor is, hoe groot deze tumor is en welke behandelingen in aanmerking komen. De arts begint met het afnemen van een anamnese (het stellen van gerichte vragen) om te achterhalen of de symptomen inderdaad in de richting van een kwaadaardige aandoening van de longen wijzen. Ook moet er worden vastgesteld of er nog andere gezondheidsproblemen zijn, met name van het hart en de longen. Er volgt een lichamelijk onderzoek waarbij er op gelet wordt of er vergrote klieren gevoeld kunnen worden, of er een vergrote lever is en of er andere tekenen zijn die kunnen wijzen op uitzaaiingen. Een longfoto wordt gemaakt om te kijken of er afwijkingen zijn, zoals een tumor en vergrote klieren, en vocht tussen de longvliezen. Met behulp van een CT-scan wordt de plaats en de relatie tot de omliggende weefsels van de tumor duidelijker evenals het wel of niet aanwezig zijn van vergrote lymfeklieren. Gelijktijdig worden opnamen gemaakt van de lever en de bijnieren. De bronchoscopie (kijken in de luchtweg met een buigbare slang) maakt het mogelijk materiaal te krijgen voor pathologisch onderzoek.
Na de diagnose
Blijkt er inderdaad sprake te zijn van een kleincellige longkanker dan moet er meer onderzoek volgen. Bij het kleincellige longkanker gaat men er vanuit, gezien de snelle groei en de neiging om zich uit te zaaien door het lichaam, dat er sprake is van een uitgebreide ziekte (extensive disease) tot het tegendeel bewezen is. Gebruikelijk is om naast de CT-scan van de borstkas en bovenbuik een onderzoek naar de toestand van het skelet te doen door middel van een skeletscan (een onderzoek met behulp van een radioactieve stof) en onderzoek te doen of er uitzaaiingen zijn in het centraal zenuwstelsel doormiddel van een CT-scan van de hersenen. Door middel van laboratorium onderzoek worden eventuele uitzaaiingen opgespoord en wordt nagegaan of er afwijkingen zijn wat betreft het zout (natrium) gehalte en kalk (calcium) gehalte. Belangrijk is ook de meting het aantal witte bloedlichaampjes (leukocyten) en bloedplaatjes (thrombocyten) vanwege de mogelijke behandeling met cytostatica.
Welke rol de PET-scan speelt in de diagnostiek van het kleincellig longkanker is op dit moment nog onduidelijk.
De behandeling
Het voorgaande onderzoek is bedoeld om vast te stellen of er sprake is van beperkte (limited disease) of uitgebreide ziekte (extensive disease). Wanneer er sprake is van zeer kleine tumor zonder tekenen van uitzaaiing volgt chirurgische behandeling waarbij de tumor met omringend weefsel wordt verwijderd, gevolgd door behandeling met chemotherapie. Dit laatste gebeurt om eventuele zeer kleine uitzaaiingen, die met de onderzoeken niet zijn te vinden, uit te roeien. Vaak wordt de diagnose kleincellige longkanker pas na de operatie gesteld. Is chirurgische verwijdering van de tumor niet mogelijk, omdat er te veel uitzaaiingen zijn, is volgt behandeling met chemotherapie. Meestal gaat het hierbij om 6 kuren van een combinatie van verschillende celdodende geneesmiddelen. Als de ziekte beperkt is tot de borstkas en er een goede reactie op de chemotherapie is, dan volgt radiotherapie (bestraling) op de tumor en klieren in de borstkas en op het hoofd. Dit laatste is nodig, omdat geneesmiddelen niet goed doordringen in de hersenen en eventueel aanwezige microscopisch kleine uitzaaiingen daar niet worden uitgeroeid.
Borstkanker vaak zelf ontdekt
Meeste tumoren groeien door in omliggend weefsel
Bij borstkanker is sprake van kwaadaardige (maligne) tumoren van de borst. Borstkanker komt met name voor bij vrouwen, maar ook mannen kunnen borstkanker krijgen. Het hier beschreven ziektebeeld en beloop van borstkanker beperkt zich tot vrouwen. Borstkanker is onder te verdelen in twee typen tumoren:
- invasief: tumoren die doorgroeien in het omliggende (steun)weefsel;
- niet-invasief of ‘in-situ’: tumoren die in eerste instantie begrensd blijven tot de klierstructuren van de borst.
In 2003 was 91,3% van de geregistreerde borsttumoren invasief en 8,7% niet-invasief (bron: NKR). 75-80% van de borsttumoren ontstaat in de melkgangen van de borstklier (ductale type). 10-15% van de borsttumoren ontstaat in de melkkliertjes en groeit meestal verspreid door de borst (lobulair type).
Veel vrouwen ontdekken de ziekte zelf
De meeste patiënten ontdekken de ziekte doordat ze een knobbeltje in de borst voelen. Het knobbeltje is dan bijna altijd groter dan 1 centimeter. Andere signalen, minder vaak voorkomend, zijn veranderingen in de grootte of contour van de borst, intrekking van de huid of de tepel, veranderingen van de tepelstand, een gevoel van zwaarte of pijn, uitscheiding van vocht uit de tepel en eczeem van tepel en tepelhof. Begin jaren negentig ontdekte 85% van de patiënten de borsttumor zelf (Zwaveling et al., 1991). Deze gegevens hebben betrekking op de periode die voorafging aan de volledige invoering van het bevolkingsonderzoek op borstkanker. De gefaseerde invoering van het bevolkingsonderzoek ging in 1988 van start en in 1997 waren alle vrouwen van 50 tot en met 69 ten minste eenmaal uitgenodigd voor het onderzoek. Vanaf 1999 worden ook de vrouwen van 70 tot en met 74 jaar uitgenodigd voor het bevolkingsonderzoek.
Tegenwoordig steeds vaker kleine tumoren ontdekt
Door het toegenomen gebruik van gevoelige diagnostische technieken worden tegenwoordig meer kleine tumoren gevonden die nog geen klachten veroorzaken en niet als een knobbeltje voelbaar zijn. Dit is vooral het gevolg van de invoering van het bevolkingsonderzoek op borstkanker. Het bevolkingsonderzoek leidt bovendien tot de opsporing van veel meer niet-invasieve ductale tumoren, die vaak gepaard gaan met minuscule verkalkingen. Deze verkalkingen zijn niet voelbaar, maar op de röntgenfoto van de borst (mammografie) zijn ze wel zichtbaar.
Ziekte bij diagnose meestal beperkt tot de borst of oksellymfeklieren
Al in een vroeg stadium van borstkanker hebben cellen het vermogen zich los te maken van de primaire tumor en zich naar de lymfeklieren in (met name) de oksel te verspreiden. Op het moment van diagnose is de ziekte bij ongeveer 90-95% van de patiënten beperkt tot de borst of de lymfeklieren in de oksel. Ruim de helft van deze groep vrouwen heeft elders in het lichaam toch verborgen, klinisch niet aantoonbare uitzaaiingen (Veronesi, 1990). Blijven deze uitzaaiingen onbehandeld, dan zullen ze op korte of lange termijn, maar meestal binnen drie jaar, zo ver in omvang toenemen dat ze klachten gaan veroorzaken. Vanaf het moment dat uitzaaiingen worden vastgesteld leven de patiënten gemiddeld nog twee jaar. Met name in het laatste levensjaar hebben deze patiënten intensieve palliatieve zorg nodig.
Kool eten vermindert risico op longkanker
Volgens een studie verlaagt het eten van koolachtige groenten zoals groene kool, broccoli en spruitjes het risico op longkanker. Isothiocyanaat is het beschermende bestanddeel dat het risico op longkanker doet afnemen. Een 70 procent van de mensen zou er goed aan doen om minstens 1 keer per week deze groenten in zijn dieet te voorzien. Kankerspecialisten onderzochten het verband tussen longkanker en de eetgewoonten bij Polen, Tsjechen, Hongaren, Roemenen en Russen, volkeren die van oudsher vrij veel kolen op hun dieet hebben staan. Let wel op: Het eten van kolen is geen excuus om te roken. Rokers lopen 20 keer meer risico op longkanker dan niet-rokers. Door regelmatig groene kool, broccoli en spruitjes te eten kunnen rokers dit risico weliswaar beperken maar stoppen met roken is enige manier om het risico echt te beperken.Slokdarmkanker, diagnostiek, behandeling en zorggebruikt!
Overmatig alcoholgebruik en roken belangrijke risicofactoren
De belangrijkste risicofactoren van slokdarmkanker van het type plaveiselcelcarcinoom zijn overmatig alcoholgebruik en roken. Met name de combinatie van roken en alcohol levert een risico op. Gastro-oesophageale reflux (zuurbranden) en overgewicht zijn risicofactoren voor slokdarmkanker van het type adenocarcinoom. Een hoge consumptie van groenten en fruit wordt als een beschermende factor gezien voor tumoren van het maag-darmkanaal in het algemeen.Vooral in het verleden veranderingen in determinanten
In de periode 1988-1998 zijn er geen belangrijke veranderingen geweest in de mate waarin Nederlanders roken of alcohol gebruiken. Dit geldt voor zowel mannen als vrouwen. Ook bij jongeren lijkt het percentage rokers stabiel te zijn. Dat slokdarmkanker nu vaker voorkomt dan voorheen, heeft waarschijnlijk te maken met de ontwikkelingen in het alcohol- en tabakgebruik sinds de jaren zestig. Sindsdien is namelijk zowel bij mannen als vrouwen het alcoholgebruik sterk toegenomen. Bij vrouwen is ook het aantal rokers in de jaren zestig en zeventig gestegen. Onder mannen nam het aantal rokers in die periode echter sterk af. Door de lange latentietijd van slokdarmkanker zijn de gevolgen van ander gedrag pas relatief laat zichtbaar. Een toename van gastro-oesophageale refluxziekte (zuurbranden) en een toename van het aantal mensen met overgewicht kunnen ook een rol spelen bij de toename van slokdarmkanker.
Toekomstige trend in leefstijl moeilijk te voorspellen
Of mensen in de toekomst minder alcohol gaan drinken en minder gaan roken, hangt onder andere af van het overheidsbeleid. Misschien zullen de accijnsverhogingen en het beperken van de tabaksreclame effect sorteren. Dat zou tegelijkertijd weer teniet kunnen worden gedaan door geïntensiveerde (reclame)campagnes van de tabaks- en alcoholindustrie. Waarschijnlijk zullen deze ontwikkelingen niet direct invloed hebben op het aantal nieuwe patiënten met slokdarmkanker, gezien de lange latentietijd van de ziekte.
Chirurgische behandeling leidt niet vaak tot volledige genezing
Een in opzet op genezing gerichte (curatieve) behandeling van slokdarmkanker is alleen mogelijk als er geen aantoonbare uitzaaiingen op afstand zijn. Tot op heden is operatieve verwijdering van een deel van de slokdarm en het bovenste deel van de maag (inclusief de tumor) in principe de enige behandeling met een kans op lokale genezing. Het spijsverteringskanaal wordt hierbij hersteld door de maag aan te sluiten op het resterende deel van de slokdarm in de hals. Deze grote ingreep gaat gepaard met een ziekenhuissterfte van ongeveer 3-5%. Bovendien krijgt 30-40% van de patiënten al tijdens de ziekenhuisopname complicaties die samenhangen met de operatie, zoals longontsteking en wondinfecties. De 5-jaarsoverleving na deze in opzet curatieve behandeling is slechts circa 25-30%.
Palliatieve behandeling bij patiënten in goede conditie
Als de tumor niet meer lokaal is te verwijderen, dan is de behandeling gericht op het verminderen van de klachten (palliatie), vooral ten aanzien van de passage van voedsel. Bij patiënten in een goede lichamelijke conditie, die geen uitzaaiingen hebben, bestaat de standaardbehandeling uit uitwendige, hoog gedoseerde, langdurende radiotherapie. De meerderheid van de patiënten ervaart verlichting van de klachten, maar toch krijgt 50% opnieuw passageklachten. Uitwendige bestraling in combinatie met inwendige bestraling (intraluminale radiotherapie of brachytherapie genoemd) of chemotherapie wordt op dit moment nog uitsluitend in studieverband toegepast.
Palliatieve behandeling bij patiënten in slechte conditie
Bij patiënten die een slechte conditie of uitzaaiingen hebben, bestaat de palliatieve behandeling uit laaggedoseerde kortdurende radiotherapie, lasertherapie of het inbrengen van een buisje (tube) door het tumorgebied heen zodat voedselpassage mogelijk blijft. Studies naar inwendige radiotherapie wijzen erop dat deze behandeling snel verlichting van klachten geeft. Een bezwaar van de inwendige bestralingstechniek zijn de kosten van de speciale apparatuur. Momenteel loopt er een onderzoek naar de beste behandeling voor patiënten met inoperabele slokdarmkanker. Inwendige radiotherapie wordt hierbij vergeleken met het inbrengen van een tube ter verlichting van de passageklachten. Binnenkort zullen de eerste gegevens beschikbaar komen.
Maligne melanoom, een vorm van huidkanker
Een maligne melanoom is de meest agressieve vorm van huidkanker, welke bestaat uit melanomacellen. Dit zijn cellen die moeten beschouwd worden als de kwaadaardige vorm van normale pigmentcellen (melanocyten) in de opperhuid. Het ontstaat dan ook meestal op een plek waar al een moedervlek zat maar het kan ook op een gave huid ontstaan. Normale pigmentcellen zijn beweeglijke cellen die ontstaan in het ruggemerg en verhuizen naar de onderste laag van de opperhuid. Ook kwaadaardige melanoomcellen bezitten de mogelijkheid om op stap te gaan. Ze worden niet door ons lichaam herkend als vreemd en kunnen zo vrij snel uitzaaien langs de lymfevaten of langs de bloedbaan naar longen, lever en hersenen. Normale lichaamscellen hebben een soort ingebouwde tijdbom die ervoor zorgt dat de cel na verloop van tijd doodgaat en kan vervangen worden door nieuwe, jonge cellen. Dit mechanisme heet apoptosis. Bij veel kankercellen is aangetoond dat zij geen dergelijk mechanisme hebben omdat het p53 gen dat die apoptosis op gang brengt bij kankercellen defect is, zodat ze dus eindeloos kunnen doorgaan met zich te vermenigvuldigen. Als een melanoom zich nog op het oppervlak van de huid bevindt is het vrij goed te genezen. Een melanoom wat al dieper in de huid is gegroeid en zich naar de nabij gelegen lymfen en bloedvaten heeft uitgezaaid, vormt een levensbedreigende aandoening. Over het algemeen komt melanoom iets frequenter voor bij vrouwen dan bij mannen. Bij vrouwen is de lokatie meestal op de benen, terwijl bij mannen het vaker op de romp voorkomt. Omdat blijkt dat mannen vaker in een later stadium naar de dokter gaan, is daardoor de overleving bij mannen doorgaans minder goed dan bij vrouwen. In vergelijking met andere kankers komt melanoom meer voor bij jonge mensen en op middelbare leeftijd.
Er zijn totaal wel 11 soorten melanoom bekend. Dit zijn de 4 belangrijkste:
Lentigo Maligna Melanoma
- Langzame groei. Komt vooral in het gezicht en de hals voor bij vrouwen en op oudere leeftijd(+/- 70).
- Ongeveer 15 % van alle melanomen is het Lentigo Maligna Melanoma.
Superficial Spreading Melanoma
- Komt evenveel voor bij mannen als bij vrouwen.
- De lokatie bij mannen is vooral op de rug en bij vrouwen op de benen.
- 70 % van alle melanomen zijn van dit type.
- Komt vooral voor rond het 50e levensjaar. De groei voornamelijk in horizontale richting.
- Een speciaal sub-type is het melanoom van de slijmvliezen. Dit type evolueert als het SSM en komt vooral voor bij negroïde en aziatische mensen. Het melanoom is te vinden in de mucosa (slijmvlies) van de neus, slokdarm, trachea (luchtpijp), tractus digestivus (spijsverteringskanaal) en vagina.
Acral Lentiginous Melanoma
- Komt vooral voor op de handpalmen, voetzolen en op de uiteinden van de vingers.
- De groei richting is zowel horizontaal als verticaal.
- 5% van alle melanomen zijn van dit type.
Nodular Melanoma
- De meest gevaarlijke melanoom.
- Bijna altijd een verticale groeirichting.
- Na een tijd kan het melanoom gaan zweren en uiteindelijk bloeden.
- Ongeveer 12 % van alle melanomen zijn van dit type.
Verder is er nog het a-melanotische melanoom. Dit is een uiterst zeldzame en pigmentloze variant van bovenstaande melanomen.
Dikkedarm- en endeldarmkanker samengevat!
Darmkanker een van meest voorkomende vormen van kanker
Darmkanker (dikkedarm- en/of endeldarmkanker) is één van de meest voorkomende vormen van kanker in Nederland. Na borstkanker is het de belangrijkste vorm van kanker bij vrouwen, en na prostaat- en longkanker de belangrijkste kanker bij mannen. In 2003 werden 9.898 nieuwe gevallen van darmkanker gediagnosticeerd (5.157 mannen en 4.741 vrouwen). Op 1 januari 2002 werd het totaal aantal patiënten met darmkanker geschat op ongeveer 39.000. In 2004 stierven 1.694 mannen en 1.772 vrouwen ten gevolge van dikkedarmkanker. In datzelfde jaar overleden 566 mannen en 397 vrouwen ten gevolge van endeldarmkanker. Het aantal nieuwe gevallen per jaar is hoog in vergelijking met andere Europese landen. De sterfte als gevolg van darmkanker in Nederland ligt daarentegen op het niveau van het Europees gemiddelde. De overleving is relatief gunstig in vergelijking met de rest van Europa.
Aantal mensen met darmkanker neemt licht toe
Het aantal mensen met darmkanker neemt licht toe. Dit is zowel het gevolg van een stijging van het aantal nieuwe gevallen van darmkanker als van een daling van de sterfte door met name endeldarmkanker. Het aantal nieuwe gevallen van darmkanker is tussen 1990 en 2003 licht gestegen. Bij mannen meer dan bij vrouwen. De sterfte aan dikkedarmkanker is bij mannen over de periode 1980-2004 vrijwel onveranderd en bij vrouwen licht gedaald. De sterfte aan endeldarmkanker is in de periode 1980-2004 bij zowel mannen als vrouwen met ongeveer 40% gedaald. De gedaalde sterfte wijst op een lichte verbetering van de overleving van patiënten met darmkanker.
Voeding en leefstijl spelen een rol bij het ontstaan van darmkanker
Naast erfelijke factoren spelen leefstijlfactoren een rol bij het ontstaan van darmkanker. Consumptie van rood vlees en vleeswaren verhogen het risico op darmkanker. Consumptie van koolsoorten, groene bladgroenten en melk kunnen daarentegen een beschermend effect hebben. Overmatig alcoholgebruik verhoogt het risico op dikkedarm- en endeldarmkanker, evenals overgewicht. Lichamelijke inactiviteit is een risicofactor voor het krijgen van dikkedarmkanker, maar niet zozeer voor endeldarmkanker. Hoewel roken het risico op het ontstaan van darmpoliepen verhoogt, is de relatie tussen roken en darmkanker onduidelijk.Door vergrijzing sterke toename darmkanker verwacht
Na blootstelling aan risicofactoren kan het lange tijd duren voordat de ziekte zich openbaart. Verbeteringen in leefstijl zullen daardoor pas na tientallen jaren het voorkomen van darmkanker beïnvloeden. De verwachting is dat het jaarlijks aantal nieuwe gevallen de komende jaren niet veel zal stijgen, mede gezien de ontwikkelingen in andere Europese landen en de trend in het aantal nieuwe gevallen in Nederland. Omdat het vóórkomen van endeldarm- en dikkedarmkanker toeneemt met de leeftijd, zal vergrijzing en groei van de bevolking een groot effect hebben op het voorkomen in de toekomst: op grond van alleen demografische ontwikkelingen, is de verwachting dat het absoluut aantal nieuwe patiënten met darmkanker in de periode 2005-2025 zal toenemen met circa 42%.
Borstkanker, wat weten we erover!
Ontstaan borstkanker en oestrogeen
Borstkanker ontstaat door een hormonale disbalans in de borst. Bij te dikke vrouwen, maar bijvoorbeeld ook bij vrouwen die hun borsten niet gebruiken voor borstvoeding, is de kans daarop groter. Het hormoon oestrogeen, dat normaal de ontwikkeling van de borst stimuleert, is bij hen overactief, waardoor er kankercellen kunnen ontstaan. Als die zich ongecontroleerd gaan vermenigvuldigen vormt zich een tumor in de borstklier (een mammacarcinoom). Het gezwel is eerst klein, maar wordt in de loop der tijd groter. Zelfonderzoek (borstzelfonderzoek KWF) is cruciaal in het vroegtijdig ontdekken van borstkanker. Hoe sneller de vrouw zelf een knobbeltje ontdekt, hoe groter de kans is op een succesvolle behandeling. Vrouwen tussen de 49 en 75 jaar krijgen automatisch eens in de twee jaar een oproep voor een borstonderzoek. Als de huisarts iets vermoedt zal hij/zij je doorverwijzen naar een specialist, die een mammogram (röntgenfoto van de borst) zal maken met aanvullend een microscopisch onderzoek van een biopsie (stukje weefsel). Als blijkt dat het een kwaadaardig gezwel betreft zal het operatief worden verwijderd. Ook hormoon- of chemotherapie behoren tot de mogelijkheden.
Maar liefst 1 op de 9 vrouwen wordt door borstkanker getroffen. Naar schatting zijn er ruim 100.000 vrouwen in Nederland die met borstkanker te maken hebben gehad. Jaarlijks overlijden ruim 3400 vrouwen aan de ziekte. Borstkanker is daarmee de kanker met het grootste aantal dodelijke vrouwelijke slachtoffers. Borstkanker komt ook bij mannen voor, maar veel minder vaak. Jaarlijks krijgen in ons land ongeveer 65 mannen borstkanker. Dat kan met een erfelijke aanleg te maken hebben.
Pink Ribbon
Sinds twee jaar doet Nederland mee door de maand oktober als Breast Cancer Awareness uit te roepen. Dit fenomeen is overkomen waaien uit Amerika, waar het al tien jaar geleden werd geïntroduceerd. Bij een medewerkster van cosmeticafabrikant Estée Lauder werd borstkanker geconstateerd. Daarop richtte zij de Pink Ribbon beweging op, die inmiddels wereldwijd bekendheid heeft. De organisatie wil door middel van roze lintjes, informatie en activiteiten aandacht geven aan borstkanker, met als doel voorlichting, bewustwording en het stimuleren van onderzoek. Hoewel de overlevingskans in de eerste vijf jaar tachtig procent is, valt er nog heel wat te verbeteren als het gaat om de bestrijding van borstkanker. Volgens Stichting Pink Ribbon moet er nog veel meer voorlichting voorhanden zijn, net als de zorg. De organisatie strijdt ook voor zogenaamde 'mammapoli's'. Nu heeft nog maar tien procent van de ziekenhuizen dergelijke poliklinieken speciaal voor vrouwen, die vermoedelijk borstkanker hebben.
KWF Kankerbestrijding
Jaarlijks krijgen volgens KWF Kankerbestrijding ruim elfduizend vrouwen borstkanker. De meeste vrouwen (een kleine drieduizend) zijn tussen de vijftig en 59 jaar oud, maar in de leeftijdscategorie van dertig tot veertig jaar krijgt ook nog altijd een kleine achthonderd vrouwen borstkanker.
Factoren die longkanker kunnen beïnvloeden!
Gebruik tabak veruit de belangrijkste determinant van longkanker
Ruim 85% van alle gevallen van longkanker is het gevolg van het gebruik van tabak, met name sigaretten (Williams & Sandler, 2001). Niet alleen voor rokers is er een verhoogd risico van longkanker. Ook niet-rokers die veel in rokerige ruimten vertoeven (passief roken) hebben een verhoogd risico. Naast tabaksgebruik zijn er andere factoren die het risico van longkanker verhogen, waaronder intensieve blootstelling aan bepaalde chemische stoffen. De laatste jaren zijn er steeds meer aanwijzingen dat erfelijke factoren en voedingsfactoren eveneens een rol spelen bij het ontstaan van longkanker.
Tabaksrook bevat groot aantal kankerverwekkende stoffen
Rokers van sigaretten inhaleren vrijwel allemaal. Het roken van sigaretten is hierdoor schadelijker dan het roken van sigaren of pijp, waarbij de tabaksrook niet of veel minder diep wordt geïnhaleerd. Het kankerverwekkende effect van tabaksrook is toe te schrijven aan een zeer groot aantal (ruim veertig) kankerverwekkende stoffen in de tabaksrook en het condensaat (teer). Deze stoffen kunnen genetische veranderingen in het slijmvlies van de luchtwegen teweegbrengen. Bij het roken van filtersigaretten en sigaretten met een lager teer- en nicotinegehalte lijkt het risico op longkanker lager te zijn dan bij ‘normale’ sigaretten. Toch is het verschil niet groot (Tomatis et al., 1990). Mogelijk komt dit doordat rokers van filtersigaretten en sigaretten met een laag teer- en nicotinegehalte extra diep moeten inhaleren om voldoende nicotine(satisfactie) binnen te halen.Sterke dosis-responsrelatie tussen roken en longkanker
- De kans op longkanker neemt toe met het aantal gerookte sigaretten. Rokers van 1-14 sigaretten per dag hebben een vijf maal hoger risico om aan longkanker te overlijden dan niet-rokers. Voor rokers van 20 of meer sigaretten per dag is dit risico 10-25 maal groter.
- Het aantal jaren dat men rookt is van invloed. Matige rokers (10 tot 25 sigaretten per dag) hebben na 40 jaar roken een 2,5 maal hoger risico op longkanker. Bij zware rokers (meer dan 25 sigaretten per dag) is dit na 30 jaar roken het geval.
- De leeftijd waarop men met roken begint is bepalend voor het risico op longkanker. Rokers die op 15-jarige leeftijd zijn begonnen, hebben na 50 jaar roken een 100 maal verhoogd risico op longkanker ten opzichte van niet-rokers. Voor rokers die op latere leeftijd zijn begonnen is het risico na 50 jaar roken met een factor 10 verhoogd ten opzichte van niet-rokers.
Passief roken verhoogt kans op longkanker met 20%
Er is veel epidemiologisch onderzoek gedaan naar de invloed van langdurige blootstelling aan omgevingsrook (passief roken) op het longkankerrisico van niet-rokers. Inmiddels is er voldoende wetenschappelijk bewijs voor de kankerverwekkende effecten van omgevingstabaksrook. Door passief roken neemt het risico op longkanker met circa 20% toe ten op zichte van mensen die niet aan tabaksrook worden blootgesteld.Asbest meest risicovolle stof uit de arbeidsomgeving
Bij ongeveer 10% van alle gevallen van longkanker spelen beroepsfactoren een rol, zoals blootstelling aan asbest (scheepswerven en bouwisolatie), gechloreerde koolwaterstoffen, arseen, nikkel, cadmium en chroom (metaalindustrie, schilders). Asbest is van deze stoffen de meest schadelijke. Asbestblootstelling verhoogt het risico op longkanker voor zowel rokers als niet-rokers. Roken versterkt het effect van asbestblootstelling op het ontstaan van longkanker.Inademing van radongas kan leiden tot longkanker
Inademing van het radioactieve radongas en de vervalproducten daarvan kan het longweefsel beschadigen. Op termijn kan hierdoor longkanker ontstaan. Radon ontstaat uit radium, een vervalproduct van uranium. Het gas komt voor in uraniumrijke bodems, zoals de kleigronden in het noorden van Nederland en lössgronden in Limburg. Radon dringt via kruipruimten en spleten in de fundering en tussenmuren de huizen binnen. In geringere mate komt radongas vrij uit bouwmaterialen en kunstmest. Voor de blootstelling aan radongas is vooral de belasting binnenshuis van belang.Rol voedingsfactoren nog onduidelijk
Uit epidemiologisch onderzoek is gebleken dat het eten van voldoende groenten en fruit een zekere mate van bescherming tegen longkanker geeft. Het is echter nog onbekend welke voedingsfactoren hiervoor precies verantwoordelijk zijn. Er zijn sterke aanwijzingen dat het eten van kruisbloemige groenten, zoals kool, broccoli en spruiten, een belangrijk beschermend effect hebben tegen het krijgen van longkanker. Dit beschermende effect wordt toegeschreven aan isothiocyanaten. Uitkomsten van onderzoek naar de effecten van beta-Caroteen (onder andere aanwezig in wortel, mandarijn, sinaasappel en abrikoos) daarentegen, zijn teleurstellend. Inname van extra beta-Caroteen door rokers blijkt het risico op longkanker zelfs te verhogen (Pastorino, 1997; Omenn et al., 1996; Rowe, 1996; ATBC, 1994). Een negatieve interactie tussen beta-Caroteen en sigarettenrook is hiervan de mogelijke oorzaak.Chemotherapie...en verder
Chemotherapie: een veel toegepaste behandeling tegen kanker die vaak een zware belasting vormt voor de patiënt en voor zijn of haar omgeving. Hieronder gaan we in op aanvullende en ondersteunende methoden die iedereen kan gebruiken om het herstelproces van het lichaam na een chemokuur te bevorderen en de bijwerkingen te beperken. Een steun in de rug voor al diegenen die een chemokuur moeten ondergaan! Operatie, bestraling en chemotherapie zijn op dit moment de meest toegepaste methoden om kanker te behandelen. Vaak wordt een combinatie van deze drie gebruikt. Chemotherapie geldt daarbij meestal als een aanvullende behandeling voor of na een operatie of bestraling, maar wordt ook wel als pijnbestrijder ingezet, bijvoorbeeld wanneer een tumor pijn veroorzaakt en verkleining van de tumor verlichting kan geven.Hoe werkt chemotherapie?
Chemotherapie is een behandeling met medicijnen (de zogenaamde 'cytostatica') die de celdeling in het lichaam remmen en zo de groei van kanker tegengaan. Via infuus, injectie of tabletten worden deze medicijnen in de bloedbaan gebracht en kunnen zo de kankercellen in het lichaam bereiken. Het nadeel is dat de remming van celdeling door chemotherapie bepaald niet selectief is. Behalve remming van de groei van kankercellen tast het ook gezonde cellen aan zoals van haarwortels en darmen.Bijwerkingen
Die aantasting van gezonde cellen zorgt voor vaak optredende bijwerkingen als haaruitval en misselijkheid. Andere veel voorkomende bijwerkingen zijn diarree, smaakverlies, schade aan gehoor, hart, lever en nieren, onvruchtbaarheid en (extreme) vermoeidheid. Welke bijwerkingen optreden en hoe sterk die zijn, is afhankelijk van de toegediende cytostatica en de reactie erop van de individuele patiënt.Ethische problemen bij chemotherapie
Chemotherapie kan bij bepaalde vormen van kanker effectief werkzaam zijn. Maar helaas is bij veel vormen van kanker de kans dat de behandeling aanslaat vrij klein. Als er zicht is op redelijke overleving dan kun je de last van een behandeling nog als een verbetering zien. Maar soms wegen de nadelen van chemotherapie niet of nauwelijks op tegen de te verwachten voordelen. Natuurlijk is het verloop van de ziekte nooit helemaal te voorspellen. Maar een kritische houding ten opzichte van chemotherapie is wel gerechtvaardigd. Belangrijk is dat een patiënt zelf goed nadenkt of hij chemotherapie wel wil ondergaan. Daarbij kunnen expliciete vragen aan de behandelend arts een richtlijn zijn: Hoeveel meer overlevingstijd heb ik statistisch gezien door de therapie? Hoe groot is de kans dat de chemokuur aanslaat? Wat zijn de bijwerkingen die ik kan verwachten? Welk effect heeft de behandeling op de kwaliteit van leven? Zou u in mijn geval kiezen voor dezelfde therapie? Wat kan ik doen als ik geen chemokuur wil ondergaan?
Aanvullende behandeling en ondersteuning bij chemotherapie
Wie chemotherapie ondergaat kan op diverse manieren proberen de bijwerkingen te beperken. We laten hier vijf methoden aan bod komen waarmee op een natuurlijke manier het herstelproces van het lichaam ondersteund kan worden.
1. Ontgiften
De bij een chemokuur gebruikte cytostatica zijn maar kort in het lichaam werkzaam: vaak slechts een dag. Daarna vermindert hun werking tegen tumoren en worden ze in het lichaam (deels chemisch veranderd) als afvalstof opgeslagen. Deze afvalstoffen zullen uiteindelijk het lichaam via natuurlijke weg moeten verlaten. Hoe eerder, hoe beter! Bij het natuurlijke ontgiftingsproces van het lichaam spelen longen, darmen, nieren, lever en huid een belangrijke rol. Wanneer - zoals door chemotherapie - de natuurlijke balans in het lichaam verstoord is, kan het goed zijn dit ontgiftingsproces wat extra ondersteuning te bieden. Door bijvoorbeeld vezelrijk te eten kun je de darmen stimuleren. Met het drinken van veel water en groene thee zorg je voor een goede werking van de nieren. Het verwijderen van afvalstoffen via de huid kun je optimaliseren door een heet bad (sauna of douche) te nemen. De longen zijn gebaat bij een goede, diepe ademhaling en voldoende frisse lucht. Met de ramen open slapen is dan ook een eenvoudige manier om een bijdrage te leveren aan het ontgiften van het lichaam. Of wandelen in de natuur, wanneer de conditie het toelaat. Naast methoden die men zelf kan toepassen, bestaan er ook diverse natuurgeneeskundige methoden die speciaal zijn gericht op detoxificatie van het lichaam, zoals het innemen van extra Selenium. Selenium bindt namelijk Platina (afkomstig van sommige cytostatica) waardoor nierbeschadiging voorkomen wordt.2. Voeding
Algemeen kan worden gesteld dat voor iedereen die chemotherapie ondergaat goede voeding belangrijk is voor het herstellen van het lichaam. Veel kankerpatiënten ondervinden baat bij het Houtsmullerdieet. Het dieet bestaat o.a. uit het eten van veel groenten en fruit (liefst biologisch dynamisch geteeld), zilvervliesrijst en peulvruchten, vette vis, noten en zaden. Voor verhitting mag uitsluitend olijfolie worden gebruikt. Suiker, zout en vlees worden afgeraden. Daarnaast is het drinken van groene thee belangrijk omdat dit zeer sterke antioxidanten bevat. Door misselijkheid na chemotherapie is het voor veel mensen moeilijk om voldoende te eten. Als gevolg daarvan treedt in veel gevallen gewichtsverlies op. Veel patiënten krijgen daarom in het ziekenhuis vloeibare voeding aangeboden die helaas veel suiker bevat. Terwijl te veel suiker de groei van tumorcellen stimuleert en de activiteit van 'natural killer cells' (bepaalde witte bloedcellen) doet afnemen… Overigens kan tegen misselijkheid het eten (of drinken van thee) van verse gember een goede remedie zijn. En een aantal studies tonen een gunstig effect van acupunctuur tegen misselijkheid en braakneigingen.3. Voedingssupplementen
Goede voeding alleen is vaak niet genoeg. Om er zeker van te zijn dat men alle benodigde voedingsstoffen binnen krijgt is het - zeker bij ziekte - verstandig te zorgen voor extra vitamines en mineralen, ofwel: voedingssupplementen. Van Melatonine, vitamine E, Selenium en Vitamine C is er bewijs dat zij de bijwerkingen van chemotherapie kunnen verminderen, zonder iets af te doen aan de werking van de chemotherapie. In een aantal gevallen wordt het resultaat van de chemotherapie er zelfs door verbeterd. Bèta-Caroteen vermindert de kans op infecties bij een aantal vormen van chemotherapie.
De rol van antioxidanten
Vitamines en mineralen staan zeer in de belangstelling bij de strijd tegen kanker. Ze zijn in het lichaam namelijk werkzaam als 'antioxidant'. Dat betekent dat ze bescherming bieden tegen schadelijke zuurstofverbindingen, de vrije radicalen genoemd. Vrije radicalen vormen de oorzaak van veel ziektes, waaronder kanker.
4. Niet-toxische anti-tumormiddelen
Er zijn tal van wetenschappelijk verantwoorde middelen beschikbaar die kunnen helpen om kwaadaardige gezwellen te bestrijden zonder schade aan gezonde lichaamscellen toe te brengen. Deze zogenaamde niet-toxische kankercelgroei-remmende stoffen worden vaak direct ingezet in het bestrijden van kanker, maar kunnen ook als aanvulling op een chemokuur gebruikt worden. Voorbeelden van dergelijke stoffen zijn, Megagenistin, Pao Perreira en Melatonine. Artsen die zijn gespecialiseerd in niet-toxische tumor therapie kunnen bepalen welke stoffen voor elke individuele kankerpatiënt de juiste aanvulling op chemotherapie kunnen zijn.5. Psycho-sociale steun
Kanker is een ingrijpende ziekte. Niet alleen lichamelijk maar ook psychisch ondervinden patiënten er veel gevolgen van. Daarom komt er - ook in ziekenhuizen - steeds meer aandacht voor psycho-sociale begeleiding teneinde kanker - patiënten te helpen bij het verwerken van de gevolgen van de ziekte en de behandelingen. Sommigen gaan een stapje verder dan alleen ondersteuning. Zo gaat men er in het Vicki Brown Huis en het Helen Dowling Instituut van uit dat de emotionele toestand van de patiënt van invloed is op het verloop van de ziekte en de behandeling. Kanker blijft een vreselijke ziekte, zowel voor de patiënt als voor zijn of haar omgeving en de behandelende artsen. Over het bestrijden van kanker weten we nog lang niet alles, maar gelukkig neemt onze kennis steeds toe. Voor iedere patiënt die kiest voor chemotherapie kan aanvulling met voeding, voedingssupplementen en mentale steun bijdragen aan een betere kwaliteit van leven, een gunstiger prognose en minder bijwerkingen van de chemotherapie.Indeling, oorzaken en prognose van longkanker
Longkanker op verschillende manieren in te delen
Longkanker is een kwaadaardige (maligne) tumor die uitgaat van het longweefsel. Bij longkanker zijn verschillende typen te onderscheiden, waarbij een globale indeling is te maken in kleincellige tumoren en niet-kleincellige tumoren.
Histologische indeling
Longtumoren kunnen histologisch globaal onderverdeeld worden in niet-kleincellige tumoren (Non-Small Cell Lung Carcinoma: NSCLC) en kleincellige tumoren (Small Cell Lung Carcinoma: SCLC). Niet-kleincellige tumoren zijn onderverdeeld in het plaveiselcelcarcinoom, het adenocarcinoom en het grootcellig ongedifferentieerd carcinoom. De resterende niet-kleincellige tumoren zijn niet nader in te delen. Bij mannen treedt relatief vaker het plaveiselcelcarcinoom op, bij vrouwen vaker het adenocarcinoom (zie tabel 2). Het plaveiselcelcarcinoom en kleincellige longtumoren hebben de sterkste relatie met roken. Het grootste deel van de longtumoren is centraal gelegen in de grote vertakkingen (de bronchi) van de luchtpijp. Adenocarcinomen en grootcellig ongedifferentieerde carcinomen ontstaan veelal in de periferie van de long.
Indeling in ziektestadia
De Tumour-Nodes-Metastases (TNM) classificatie beschrijft de anatomische uitbreiding van longkanker op een bepaald moment van het ziekteproces. De indeling volgens deze classificatie is gebaseerd op de aanwezigheid van lymfeklieruitzaaiingen en uitzaaiingen (metastasen) op afstand (in een ander deel van het lichaam). In het algemeen is de behandeling van patiënten met een lokaal beperkt (‘localized’ en 'limited') stadium in principe gericht op genezing (operatie eventueel in combinatie met andere therapieën) en die van alle andere patiënten op palliatie. De gegevens van de kankerregistratie in de IKA-regio (Noord-Holland en Flevoland) bieden inzicht in de trends in stadiumverdeling bij diagnose van longtumoren (bron: NKR). Van de patiënten met NSCLC heeft meer dan 60% bij diagnose al uitzaaiingen in de regionale lymfeklieren of op afstand. Van de patiënten met SCLC is meer dan 50% in een extensief stadium.
Longtumoren veroorzaken diverse luchtwegklachten
De symptomen van longkanker zijn afhankelijk van de ligging en de uitgebreidheid van de tumor. Centraal in de long gelegen tumoren geven eerder klachten dan perifere tumoren. Laatstgenoemde tumoren kunnen hierdoor lange tijd onopgemerkt blijven, en kunnen soms bij toeval op een röntgenfoto worden ontdekt. Klachten worden in eerste instantie veroorzaakt door de tumor zelf en vervolgens door de uitzaaiingen. De eerste verschijnselen zijn een verandering van hoestpatroon (hardnekkige prikkelhoest), opgeven van (bloederig) slijm, kortademigheid gepaard gaande met een fluitend geluid (‘wheezing’), (terugkerende) longontsteking en zeurende pijn in de borst.
Behalve luchtwegklachten ook algemene malaise
Vaak treedt bij longkanker een verslechtering op van de algehele conditie, die tot uitdrukking komt in gebrek aan eetlust, gewichtsverlies en onverklaarbare moeheid. Ook worden regelmatig (in 10 tot 50% van de gevallen) bijzondere verschijnselen beschreven, zoals trommelstokvingers en gewrichtsklachten. Door de tumor geproduceerde stoffen veroorzaken deze verschijnselen.
Bij diagnose vaak al uitzaaiingen in lymfeklieren
De meeste patiënten met longkanker hebben bij diagnose al uitzaaiingen (metastasen) in de lymfeklieren. Ook de lymfeklieren in de ruimte tussen beide longen zijn vaak aangedaan. In dit geval is de tumor vaak niet meer te genezen. De meest voorkomende symptomen van lymfeklieruitzaaiingen zijn heesheid, slikstoornissen en het dichtdrukken van de centrale ader. Dit laatste leidt tot stuwing van het bovenlichaam, wat gepaard gaat met vorming van een uitgebreid net van alternatieve bloedafvoerende vaten op borst en bovenbuik (Vena Cava Superior syndroom). De tumor kan ook via de bloedbaan naar allerlei organen uitzaaien. Vooral het kleincellig longcarcinoom is in 50 tot 80% van de gevallen ten tijde van het eerste onderzoek al buiten de borstkas uitgezaaid (Van Zandwijk et al., 1999). Het meest frequent zijn uitzaaiingen in botten en hersenen. Deze kunnen leiden tot botpijn en spontane botbreuken, hoofdpijn en neurologische stoornissen.
Minder dan 25 procent longkanker operabel
Slechts een beperkt percentage (< 25%) van de patiënten met longkanker komt in aanmerking voor een operatie. Bij ongeveer de helft van deze patiënten komt de ziekte na een operatie terug.
Prognose van longkanker nauwelijks verbeterd
De prognose van longkanker is in de periode 1972-2003 nauwelijks verbeterd. Voor patiënten met SCLC lijkt de overleving wel iets verbeterd sinds de introductie van chemotherapie (Janssen-Heijnen & Coebergh, 2001; IKZ, 2005). Voor de gehele patiëntengroep met NSCLC is de prognose niet veranderd. Wel blijkt uit vergelijking van de IKA-gegevens voor de periode 1989-1991 met de periode 1999-2001 dat de relatieve 3-jaarsoverleving is toegenomen voor de patiënten bij wie NSCLC in een vroeg stadium is vastgesteld (Visser & Leeuwen, 2005). Verder is op basis van gegevens van de IKZ-registratie een klein verschil gevonden tussen plaveiselcelcarcinoom en adenocarcinoom. De relatieve 1- en 5-jaarsoverleving zijn hierbij voor plaveiselcarcinoom licht gestegen en juist licht gedaald voor adenocarcinoom (Janssen-Heijnen et al., 1998).
Bestraling...en verder?
Bestraling (radiotherapie) is een veel toegepaste behandeling tegen kanker, die vaak een zware belasting vormt voor de patiënt en voor zijn of haar omgeving. Hieronder gaan we in op aanvullende en ondersteunende methoden die iedereen kan gebruiken om het herstelproces na bestraling te bevorderen en de bijwerkingen te beperken. Een steun in de rug voor iedereen die radiotherapie moet ondergaan! Chirurgie, bestraling, hormoontherapie en chemotherapie zijn op dit moment de meest toegepaste methoden om kanker te behandelen. Vaak wordt een combinatie van deze methoden gebruikt.Hoe werkt radiotherapie?
Radiotherapie is een behandeling van kanker door middel van bestraling. Door de bestraling worden kankercellen vernietigd. Er worden verschillende soorten straling voor gebruikt, zoals radioactiviteit, zeer hoge doses röntgenstraling en kobaltstraling. En bestraling wordt uitwendig of inwendig toegepast.Wanneer wordt het gebruikt?
Met name bij snel delende weefsels en in gebieden waar chirurgisch moeilijk gewerkt kan worden (zoals mond, keel, hals, hoofd) is radiotherapie een mogelijk effectieve optie. Ook in het kader van pijnbestrijding (vooral bij botkanker) kan radiotherapie bijdragen aan een betere kwaliteit van leven.Nadelen blijven
Toch blijven er nadelige kanten aan bestraling zitten. Zo weet men vaak nog niet precies hoe vaak men moet bestralen en het berekenen van de exacte dosis is ook nog erg moeilijk. Men gaat uit van een gemiddelde en geeft voor de zekerheid vaak een extra dosis om er zeker van te zijn dat de patiënt genoeg straling heeft gekregen om het tumorweefsel te vernietigen. De lijst met mogelijke bijwerkingen is nog steeds angstaanjagend groot.Bijwerkingen
Welke bijwerkingen er bij radiotherapie optreden is sterk afhankelijk van het bestralingsgebied, de intensiteit en het soort straling dat wordt gebruikt. Maar last van bijwerkingen heeft iedereen. Bij patiënten die in het hoofd-halsgebied worden bestraald ontstaan vaak problemen aan de speekselklieren. Bij longkankerpatiënten ontstaat vaak schade aan de slokdarm. Algemene bijwerkingen zijn misselijkheid, braken, diarree, gebrek aan eetlust, afsluiting van vaten, beschadigd darmweefsel en minder goede opname van voedingsstoffen, afname van smaak en reuk, verslechtering van het gebit, botafbraak en verklevingen. Bestraling geeft verder vaak huidklachten en verbrandingsverschijnselen vergelijkbaar met verbranding door te intensief zonnebaden. Vrijwel alle patienten klagen daarnaast over intense moeheid, soms nog jaren na de behandeling. Bestraling verzwakt het immuunsysteem en laat bij proefdieren een versnelde veroudering van het immuunsysteem zien. Aangezien een niet effectief immuunsysteem bijdraagt aan een verhoogde kans op het krijgen van kanker of uitzaaiingen is dit in feite een ernstige bijwerking.Ethische problemen
Radiotherapie kan bij bepaalde vormen van kanker effectief werkzaam zijn. Maar de bijwerkingen zijn ook groot. Er is dus een wankel evenwicht tussen effectieve therapie en ernstige bijwerkingen. Radiotherapie verzwakt het mmuunsysteem en een verzwakt immuunsysteem is gevoeliger voor het ontwikkelen van nieuwe tumoren. Een kritische houding ten opzichte van bestraling is dus wel gerechtvaardigd. Belangrijk is dat een patiënt zelf goed nadenkt of hij radiotherapie wel wil ondergaan. Daarbij kunnen expliciete vragen aan de behandelend arts een richtlijn zijn: Hoe groot is de kans dat de behandeling aanslaat? Wat zijn de te verwachten positieve effecten? Welke bijwerkingen kan ik verwachten? Welk effect heeft de behandeling op de kwaliteit van even? Zou u in mijn geval kiezen voor dezelfde therapie? Wat kan ik doen als ik geen bestraling wil ondergaan?Wat te doen om de bijwerkingen te verminderen?
Veel drinken
Het lichaam moet na een bestraling het doodgestraalde weefsel opruimen en dat blijkt in de praktijk veel energie te kosten. Dat verklaart de vermoeidheid van veel patiënten. In elk geval is het zo dat hoe eerder de dode cellen het lichaam verlaten, hoe beter. Het kan dus goed zijn om het natuurlijk reinigingsproces van het lichaam een handje te helpen. Met het drinken van veel water en groene thee zorg je voor een goede werking van de nieren.Gezond eten
Algemeen kan worden gesteld dat voor iedereen die bestraling ondergaat goede voeding kan bijdragen aan een beter herstel. Gezonde voeding is rijk aan verse groenten en fruit en goede vetten (met name omega-3-vetzuren uit vette vis of lijnzaad(olie)). Veel kankerpatiënten ondervinden baat bij het Houtsmullerdieet. Bepaalde stoffen uit voeding, zoals isoflavonen (bijv. genisteïn uit soja), groene thee, rooibosthee, curcuma, zoethout en weipoeder, kunnen specifiek de groei van kankercellen remmen.Vitamines en mineralen
Sommige artsen zijn huiverig in het voorschrijven van antioxidanten, zoals vitamines en mineralen, bij iemand die bestraald moet worden. Immers, radiotherapie is onder andere effectief omdat het in het gebied van de tumor zorgt voor een overdosis aan vrije radicalen waardoor het tumorweefsel beschadigd wordt en de tumor geremd wordt in zijn celdeling. Deze artsen vrezen dat antioxidanten, die de vorming van vrije radicalen tegengaat, het effect van radiotherapie verzwakt. In de medische literatuur is echter geen ondersteuning voor deze angst te vinden, integendeel. Uit divers onderzoek blijkt juist dat aanvulling met antioxidanten een grotere effectiviteit van de bestraling laat zien en minder bijwerkingen. Hieronder gaan we in op het effect van diverse voedingsstoffen op radiotherapie. Al deze stoffen kunnen (apart of in combinatie) de bijwerkingen van radiotherapie verminderen en zelfs bijdragen aan een betere kwaliteit van leven of een verhoogde overlevingskans.Multivitamine
Onderzoek laat zien dat tekorten aan vitamines en mineralen een zelfde effect hebben op gezonde cellen als bestraling. Zelfs geringe tekorten kunnen net als straling schade aan het DNA veroorzaken. Aangezien we bij radiotherapie juist de gezonde cellen zo gezond mogelijk willen houden is het voorkomen van DNA-schade bij gezonde cellen een noodzaak. Ook om die reden is goede voeding en aanvulling met vitamines en mineralen aan te bevelen.Vitamine A
Uit onderzoek komt naar voren dat vitamine A de kankercel gevoeliger maakt voor bestraling. Dit gunstige effect van vitamine A wordt voor een deel verklaard vanuit een immuunstimulerend effect.Betacaroteen
Bij mensen die bestraald werden in het mondgebied bleek dagelijkse aanvulling met 75mg betacaroteen een duidelijke afname te geven van de door radiotherapie veroorzaakte ontsteking van het mondslijmvlies. Mogelijk is het natuurlijke caroteen effectiever dan het synthetische.Vitamine C
Vitamine C is een zeer sterke antioxidant die in elk geval onmisbaar is voor het verhogen van de weerstand van het lichaam. Uit onderzoek blijkt dat mensen die radiotherapie ondergaan en 5 keer per dag 1 gram vitamine C krijgen beduidend meer effect van de bestraling hebben en bovendien minder last van bijwerkingen. Mogelijk kan vitamine C bovendien ons beenmerg beschermen tegen straling.Vitamine E
Vitamine E heeft een remmend effect op de celdeling van kankercellen en versterkt het effect van radiotherapie zonder invloed uit te oefenen op de gezonde weefsels. Soms ontstaat als gevolg van de bestraling verbindweefseling (fybrosis) in het bestraalde gebied. Vitamine E heeft een gunstig effect op vermindering van deze bijwerking.Selenium
Onderzoek van een aantal Duitse KNO-artsen laat zien dat aanvulling met selenium voorafgaand aan bestraling lijdt tot minder ernstige bijwerkingen: minder oedeemvorming, kortademigheid en necrose (?).Melatonine
Er is veel onderzoek gedaan naar het effect van melatonine op radiotherapie. Daaruit komt naar voren dat het kan helpen om de bijwerkingen tegen te gaan en kan zorgen voor een goede nachtrust. Het is een van de sterkste antioxidanten voor ons zenuwstelsel. Sommige onderzoeken laten een duidelijk hogere overlevingskans zien dankzij de combinatie van radiotherapie en het gebruik van melatonine. Samenvattend kunnen we stellen dat er geen reden is voor de angst dat vitamines en mineralen en andere antioxidanten de werking van radiotherapie teniet zouden doen. Sterker nog, er zijn vele aanwijzingen dat het resultaat van de behandeling juist beter is. Bovendien hebben patiënten veel minder last van bijwerkingen en daardoor een betere kwaliteit van leven.Lijnzaad en borstkanker
Het NCI (National Cancer Institute) ziet lijnzaad als een ‘designers food’. Dit is voeding met is een voeding met zoveel kankerbestrijdende kwaliteiten dat ze bijna een op maat gesneden medicijn is. Volgens Dr. Bob Arnot bevat lijnzaad een zeldzame combinatie van omega 3-vetzuren en zwakke oestrogen, of plantenoestrogenen die een tegengewicht vormen voor “sterke oestrogenen”.
In de kankerbehandeling en -preventie worden sterke middelen gebruikt met een soortgelijke werking, nl. het blokkeren van de oestrogeenreceptor, maar alle hebben zware nevenverschijnselen. Gelukkig zijn er voedingsmiddelen die een quasi gelijkaardige functie vervullen. Volgens Dr. Arnot zouden de voedingsmiddelen die het dichtst bij deze werking gesitueerd zijn, soja en lijnzaad zijn. In zijn boek “The Breast Cancer Diet” gaat hij in de diepte op de voeding en de aanvulling, waaronder hij ook lijnzaad rekent, om borstkanker te voorkomen.
Dr. Lilian Thompson (Universiteit Toronto), adviseert aan alle vrouwen lijnzaad, wanneer borstkanker geconstateerd wordt. Zij stelt een vermindering in de grootte van de tumor vast tussen de tijd van de diagnose en de tijd van de operate, bij vrouwen die lijnzaad aten. Lijnzaad kan best droog gemalen worden en bij een fruit- of groentenmaaltijd gegeten worden. Het malen gebeurt best in kleine porties, vlak voor het gebruik.
Baarmoederhalskanker zorgt voor bijna 200 overlijdens per jaar
Baarmoederhalskanker is momenteel een van de vaakst voorkomende gynaecologische kankers in België (472 nieuwe gevallen in 1996). In ons land is deze vorm van kanker verantwoordelijk voor bijna 200 overlijdens per jaar. 90% daarvan zou kunnen worden vermeden door een regelmatige opsporing. Deze vorm van kanker ontwikkelt zich inderdaad geleidelijk op basis van zogenaamde prekankerletsels. In deze lange precancereuze fase zorgen systematische uitstrijkjes voor de ontdekking van verdachte letsels en de vroegtijdige behandeling ervan.Etiologie en risicofactoren
85 en 90% van de baarmoederhalskankers ontwikkelen zich vanaf een goedaardig letsel, dat we "condyloma" of "papilloma" van de baarmoederhals noemen. Dat letsel is van virale oorsprong. Van dat virus, het HPV of "Human Papilloma Virus", bestaan er talloze varianten. Toch groeien niet alle papillom's uit tot kanker. Degene die het meest vatbaar zijn om tot een kankergezwel te evolueren, worden veroorzaakt door virussen van het type 16. De risicofactoren zijn al lang gekend. De eerste seksuele contacten op jonge leeftijd, een groot aantal partners, veel zwangerschappen, andere seksueel overdraagbare aandoeningen, minder gunstige socio-economische omstandigheden, roken, langdurige orale contraceptie of een verzwakking van het afweersysteem zijn allemaal risicofactoren.Epidemiologie
Onderzoeken uitgevoerd bij jonge Amerikaanse studentes tonen aan dat 30 à 40% onder hen besmet zijn met het HPV virus. De besmetting gaat meestal onopgemerkt voorbij vermits het virus bij het merendeel van de vrouwen geëlimineerd wordt zonder aanleiding te geven tot ziektesymptomen. Wanneer dat niet het geval is, kan de infectie letsels veroorzaken die, als ze niet worden behandeld, in staat zijn om zich na een vrij lange periode in een kanker te transformeren (meestal na een tiental jaren). De frequentie van baarmoederhalskanker varieert enorm van de ene plaats op de wereld tot de andere. Verschillende sociologische en medische omstandigheden, een andere sekscultuur en misschien genetische vatbaarheid vormen daarvoor de verklaring. Baarmoederhalskanker bezet in sommige ontwikkelingslanden de eerste plaats in het klassement van sterftecijfer door kanker bij vrouwen. Bij Belgische vrouwen is het de op drie na meest voorkomende vorm van kanker (4,52%), na borstkanker (33,66%), darmkanker (13,59%) en eierstokkanker (4,98%).Opsporing
De ontwikkeling van precancereuze letsels gaat aan baarmoederhalskanker vooraf. Ze vallen op te sporen met een uitstrijkje. Dat is een eenvoudige en pijnloze test, uitgevoerd door een huisarts of een gynaecoloog. Hij brengt voorzichtig een speculum in de vagina in om toegang te krijgen tot de baarmoederhals. Een speculum is een langwerpig instrument dat dient om de vagina open te houden en te verlichten dankzij het licht dat weerkaatst op het gepolijste oppervlak. Daardoor kan de geneesheer de binnenkant van de vagina en de baarmoederhals onderzoeken. Vervolgens strijkt de arts voorzichtig met een borsteltje langs de wanden van de baarmoederhals. Daardoor blijven de cellen vasthangen aan dat instrument. Deze cellen worden dan onderzocht onder de microscoop.De aldus verwijderde cellen kunnen op verschillende manieren worden onderzocht. De arts kan zelf het uitstrijkje ter plaatse onderzoeken of de cellen in speciale bewaarvloeistof onderdompelen en naar het laboratorium sturen om te laten onderzoeken door specialisten. In het eerste geval is het resultaat direct gekend, anders geldt een wachttijd van gemiddeld twee weken. Elke vrouw zou in het jaar dat volgt op haar eerste seksuele betrekkingen een uitstrijkje van de baarmoederhals moeten laten nemen, of in elk geval van zodra ze 25 is. Na twee normale uitstrijkjes met een tussenpauze van een jaar, laat men deze uitstrijkjes minstens een keer om de drie jaar uitvoeren tot men 65 is. Voor vrouwen ouder dan 65 is het risico op baarmoederhalskanker zo miniem dat een uitstrijkje nog weinig zin heeft. Tenzij er vroeger een afwijking is vastgesteld natuurlijk. De frequentie van het onderzoek kan hoger liggen indien de arts dat noodzakelijk acht. Vergeet evenwel niet dat een uitstrijkje nooit absoluut uitsluitsel geeft dat men te maken heeft met een vroegtijdig letsel of met baarmoederhalskanker. Het is enkel een uitstekende manier om vrouwen te volgen die het risico lopen.
Symptomen
De symptomen in een vroegtijdig stadium zijn niet waarneembaar. Later kan men bloedverlies opmerken tussen de regels, na de menopauze of na seksuele betrekkingen. Soms gaat dat gepaard met pijnloos witverlies.Diagnose
Een definitieve diagnose van baarmoederhalskanker is maar mogelijk na wegneming van verdacht weefsel (biopsie) van de baarmoederhals tijdens een colposcopie. Een colposcoop is een soort microscoop met een binoculaire lens. Deze lens zorgt voor de noodzakelijke vergroting om in detail de wanden van de vagina en de baarmoederhals te onderzoeken. Tijdens dat onderzoek smeert de arts de baarmoederhals in met speciale kleurstoffen (azijnzuur en een oplossing op basis van jodium). Abnormale cellen absorberen deze kleurstoffen. Zo krijgt de arts een duidelijk beeld van de ziekte. Vervolgens neemt de arts weefselfragmenten weg met een speciaal pincet, biotoom genoemd, om ze te laten onderzoeken onder de microscoop. Eventueel opgespoorde afwijkingen worden geïnventariseerd volgens een internationaal aanvaarde lijst (de classificatie van Bethesda): CIN 1, 2 of 3. CIN staat voor Cervical Intra-epithelial Neoplasia (intra-epitheliale baarmoederneoplasie) of met andere woorden: abnormale weefsels in de bovenste lagen van de baarmoederhals.Behandeling
De behandeling hangt af van het stadium van de kanker op het moment van de diagnose. Bij precancereuze letsels kiest men voor een gedeeltelijke chirurgische amputatie van de baarmoederhals (conisatie) of voor minder agressieve behandelingsmethoden (cryotherapie of behandeling met koude, laser, elektrochirurgie). De behandeling van kleine kankers gebeurt meestal door verwijdering van de baarmoeder (hysterectomie). Bij grotere gezwellen moeten ook naburige weefsels en lymfeknopen sneuvelen (uitgebreide colphohysterectomie met lymphadenectomie). Als deze zware operatie niet mogelijk is, moet het gezwel worden bestraald. In dat geval kiest men voor radiotherapie, hetzij door directe blootstelling aan een radioactieve bron (curietherapie), hetzij door externe radiotherapie (de stralingsbron bevindt zich op afstand van de te behandelen zone) of door een combinatie van beide. Recentelijk is ook aangetoond dat een bijkomende chemotherapie, dus na de lokale behandeling, een bijkomende veiligheid geeft in bepaalde gevallen waar herval mogelijk is.Kansen op genezing
De kansen op genezing liggen vrij hoog, maar hangen af van het stadium. Wanneer de kanker microscopisch is (micro-invasief) ligt dat dicht bij 100%. Wanneer enkel de baarmoederhals is getroffen, schommelen de genezingskansen tussen de 80 en 85%. De kansen op genezing zijn kleiner naarmate de kanker groter is.Onderzoeksvorderingen bij het op punt stellen van een vaccin
Hoewel zeer doeltreffend is een chirurgische behandeling niet helemaal vrij van neveneffecten. Onderzoekers werken ook aan het op punt stellen van een vaccin om het afweersysteem van ons lichaam tegen het HPV virus te beschermen. Dat vaccin, toegediend door intramusculaire injecties, zou het voordeeld bieden om minder ingrijpend te zijn dan een chirurgische ingreep. Bovendien zou de patiënt definitief beschermd zijn en geen risico's meer lopen op herval.De eerste klinische onderzoeken zijn intussen aan de gang. Bij gunstige resultaten zou het vaccin zelfs de ontwikkeling van een baarmoederhalskanker kunnen verhinderen door infectie met het papillomavirus te voorkomen. Een volledige uitroeiing van deze vorm van kanker behoort dan op termijn tot de mogelijkheden.
De huid en de zon
Zonnebaden: wat je moet weten !
De meeste mensen vinden het aangenaam en ontspannend om te zonnen. Bovendien stimuleert het zonlicht de aanmaak van vitamine D3 dat essentieel is voor de aanmaak van botweefsel waardoor de kansen op breuken verkleind worden. Toch moeten we ons echter ook bewust zijn van de mogelijke gevaren van te langdurige blootstelling aan het zonlicht. De huid haar voornaamste taak is ons te beschermen tegen schadelijke invloeden van buiten. De UV-stralen van de zon brengen een aantal processen op gang zoals:
- Het aanmaken van melanine
- Het dikker worden van de huid
- Uitdroging
- Het doen ontstaan van vrije radicalen die huidveroudering versnellen
Een niet beschermde huid kan gemakkelijk verbranden met huidbeschadiging en mogelijk op termijn zelfs melanomen tot gevolg. De huid is echter een zeer intelligent orgaan dat een eigen verdedigingsmechanisme tegen de zon heeft: het bruin worden (de aanmaak van melanine) beschermt de huidcellen tegen UV-straling. Melaninekorrels worden gevormd in de melanocyten die een 'parasol' vormen boven de huidcellen en zo de celkernen tegen verbranding afschermen. In elke celkern bevindt zich immers DNA of erfelijk materiaal waarin alle informatie opgeslagen ligt hoe een bepaalde cel moet functioneren. Onder invloed van UV-licht kan de DNA-structuur veranderen en verkeerde instructies naar de huidcellen zenden. Gelukkig heeft het wel een ingebouwd immuunsysteem om deze fouten te herstellen en onherstelbaar beschadigde cellen te herkennen en op te ruimen. Maar hoe meer dit systeem belast wordt, hoe groter de kans is dat ook de herstelling fout gaat.
Geen of nauwelijks pigment
Er bestaat bruin-rood, bruin-geel en bruin-zwart melanine waarbij het laatste een hogere effectieve bescherming geeft. De samenstelling van het melanine bepaalt het fototype en huidskeurtype. Mensen met veel bruin-rood melanine hebben extra hulp van buitenaf nodig ter bescherming tegen zonnebrand. Als je van nature een zeer lichte huid hebt of te maken hebt met een aandoening waarbij het pigment uit de huid verdwijnt (vitiligo) dan kun je het best een voldoende hoge bescherming gebruiken. Ouderdomsvlekken en een zwangerschapsmasker (melasma) verdienen eveneens een extra bescherming.
Let op: verbranden is niet steeds zichtbaar
Het rood worden is een zichtbaar teken van verbranden. Een onzichtbaar teken is: het gevoel van een zeer warme , prikkelende huid. Vooral mensen met een donkere teint hebben hier mee te maken. Ze verbranden niet zichtbaar maar de UV-straling zal ook bij hen irritaties veroorzaken. Ons bruiningssysteem kan slechts optimaal werken als het regelmatig en correct getraind wordt. De verzorgende zonneproducten van Institut Eshtéderm bevatten naast een aan de situatie aangepaste mix van filters en vrije radicalen vangers ook alle bouwstenen die nodig zijn voor de aanmaak van melanine. Zo leert uw huid opnieuw op een natuurlijke manier voor haar eigen bescherming te zorgen.
Hoe bepaal je hoe lang je in de zon kan zitten zonder te verbranden ?
Hiervoor moet je een klein rekensommetje maken waarvoor je de UV-index en je eigen zonnekrachtgetal nodig hebt. Elk huidskleurtype correspondeert met een eigen zonnekrachtgetal.
- Type I: zonnekrachtgetal 60
- Type II: 100
- Type III: 200
- Type IV: 300
- Type V: 400
- Type VI: 500
De UV-index vind je dagelijks op de website van het KMI maar ook het weerbericht op radio en TV vermelden dit. Het cijfer varieert doorgaans van 1 tot 10.
- UV-index 1 - 2: vrijwel geen
- UV-index 3 - 4: zwak
- UV-index 5 - 6: matig
- UV-index 7 - 8: hoog
- UV-index 9 - 10: zeer hoog
Voorbeeld
Je behoort tot Type II dus uw zonnekrachtgetal is 100. Het KMI geeft een IV-index van 5 door. Dit wil zeggen dat je deze dag 20 minuten in de zon kan zitten zonder te verbranden. Door een juist zonnenproduct te gebruiken, kan dit dan weer verlengd worden. Let op: Een beschermend zonneproduct vermindert wel de risico's maar is geen vrijkaart om de duur van het zonnen te verlengen. Herhaald insmeren blijft dus noodzakelijk !
Maagkanker, de feiten!
Symptomen van maagkanker
De diagnose maagkanker wordt vaak pas in een vrij laat stadium gesteld. Patiënten hebben in de beginfase van de ziekte vrijwel geen of aspecifieke klachten waarvoor niet snel medische hulp wordt gezocht. Deze klachten kunnen zijn: een vol gevoel in de maag, een gevoel van verzadiging, vermindering van eetlust (anorexie), misselijkheid en braken, algehele malaise en voedselpassageklachten. Soortgelijke klachten zijn er vaak ook bij goedaardige aandoeningen van de maag, zoals een maagzweer. Soms is een laag gehalte van rode bloedcellen een eerste teken van maagkanker.
Late complicaties en uitzaaiingen
Late complicaties van de tumor zijn verstoppingen/obstructie van de maag, bloedingen en doorbraak/perforatie van de maagwand. Bij een op de drie patiënten is sprake van anorexie en vermoeidheid, die tot een beperking in de dagelijkse activiteiten kunnen leiden. Uitzaaiing (metastasering) van maagkanker gebeurt meestal via het lymfesysteem. Ongeveer 60% van alle geopereerde maagtumoren is bij het stellen van de diagnose al uitgezaaid naar de lymfeklieren. Maagkanker kan ook uitzaaiingen geven naar o.a. de lever en het buikvlies. Patiënten met maagkanker in een vergevorderd stadium hebben vaak vergrote, voelbare lymfeklieren in de hals, een bolle buik door aantasting van het buikvlies, een vergrote lever en/of tekenen van geelzucht. Bij laat ontdekte maagkanker met uitzaaiingen is de prognose slecht.
Drie histologische typen adenocarcinomen
95% van alle tumoren in de maag ontstaat primair uit de bekledende cellaag van de maag en is opgebouwd uit cellen met een kliervormige bouw (adenocarcinomen). Er zijn verschillende classificatie systemen voor de indeling van maagkanker. Adenocarcinomen kunnen volgens Laurén worden onderverdeeld in drie histologische typen:
- Het intestinale type;
- Het diffuse type;
- Het gemengde type
Het intestinale type vormt klierbuisvormige structuren die lijken op het slijmvlies van de dikke darm. Bij het diffuse type hebben de cellen geen duidelijke onderlinge samenhang en verspreiden zich overal in de maagwand. Het gemengde type bezit kenmerken van beide typen. Ongeveer 5% van de maagtumoren is niet-klierbuisvormend, maar gaat van ander weefsel uit, met name van lymfeklierweefsel (lymfomen) en glad spierweefsel (leiomyomen of -sarcomen). Zelden is er sprake van een uitzaaiing van een ander primair elders gelokaliseerd carcinoom, zoals het lobulair type borstkanker.
Prognose maagkanker afhankelijk van stadium en lokalisatie
De prognose van maagkanker wordt sterk bepaald door de stadiumindeling en de lokalisatie. Van patiënten met stadium 1 is na 5 jaar nog ongeveer 90% in leven, van patiënten met stadium 2 ongeveer 62%, van patiënten met stadium 3 ongeveer 20% en van patiënten met stadium 4 ongeveer 2%. Ook van belang is het histologisch type en of de patiënt nog in aanmerking komt voor een operatie. Het diffuse type heeft over het algemeen een ongunstigere prognose. Vaak geldt dat hoe later de diagnose wordt gesteld, des te korter de overleving is.
Vijfjaars-overleving varieert van 5 tot 40%
Patiënten met kanker van het overgangsgebied naar de dunne darm (pylorus) blijken het langst te overleven (na 5 jaar nog bijna 40% in leven), terwijl de kortste overleving wordt gezien bij patiënten met kanker van het overgangsgebied naar de slokdarm (cardia; na 5 jaar nog minder dan 5% in leven).
Wat is de kwaliteit van leven bij maagkanker?
Vitaliteit neemt af
Bij maagkanker zijn in het begin van de ziekte de klachten relatief vaag: een opgeblazen gevoel in de maag, gevoel van verzadiging en vermindering van de eetlust. In een latere fase kunnen verstoppingen of bloedingen ontstaan of kan zelfs een doorbraak van de maagwand optreden. De lichamelijke klachten verergeren bij uitzaaiingen. Patiënten voelen zich vaak minder vitaal en beperkt in de dagelijkse bezigheden.
Geen zelfgerapporteerde gegevens over kwaliteit van leven
Systematisch literatuuronderzoek, uitgevoerd ten behoeve van het Nationaal Kompas Volksgezondheid, leverde geen zelfgerapporteerde gegevens op over de kwaliteit van leven van mensen met maagkanker. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat het onderzoek beperkt van aard was: zo werden alleen Nederlandse studies bestudeerd in de periode 1990-2000.
Kwaliteit van leven bij kanker in het algemeen
Over het algemeen geldt dat het vaststellen van de diagnose 'kanker' een groot effect heeft op het hele bestaan van de patiënt. Niet alleen de ziekte zelf maar ook de behandeling van de ziekte heeft vaak ingrijpende gevolgen. Afhankelijk van de soort kanker zullen lichamelijke en psychische problemen zich op verschillende momenten tijdens de ziekte meer of minder voordoen. De invloed van veel aspecten van de ziekte (zoals het stadium) en de behandeling op de kwaliteit van leven zijn voor alle kankerpatienten min of meer gelijk.Longkanker kan je voorkomen, maar hoe?
Stoppen met roken
Longkanker komt in 90% van de gevallen door roken. Als u longkanker heeft of u heeft gerookt, dan is dit vervelend om te horen. U heeft nu eenmaal gerookt, en u kunt het niet meer ongedaan maken. Wat u nog wel kunt doen, is mensen in uw omgeving stimuleren om te stoppen met roken. U weet nu wat de gevolgen kunnen zijn, en u bent de aangewezen persoon om dat aan uw partner, kinderen, familie, vrienden en collegae over te brengen.
Als u geen longkanker heeft, bedenkt u zich dan dit:
- Eén op de vier rokers, overlijdt vroegtijdig (tussen het 35e en 69e levensjaar) aan de gevolgen van roken. Dit is hetzelfde als een pistool tegen uw hoofd zetten waarvan één van de vier kamers geladen is.
- Per jaar komen er ruim 9000 nieuwe gevallen van longkanker bij, en overlijden bijna 9000 personen aan longkanker. Ter vergelijking: het aantal verkeersslachtoffers per jaar bedraagt ruim 1000.
- Stoffen in tabaksrook tasten een gen aan dat het lichaam beschermt tegen kanker. Op die manier veroorzaakt roken kanker.
- Roken is nu nog gevaarlijker dan vroeger. Light sigaretten doen mensen meer roken en dieper inademen. De hoeveelheid ingeademde kankerverwekkende stoffen is dus groter.
- Het is heel moeilijk om te stoppen met roken. Roken is een echte verslaving, en het is begrijpelijk als u er niet mee op kunt houden. Alle stoere verhalen ten spijt, lukt het maar drie van de 100 mensen om zonder hulp te stoppen met roken.
Wilt u stoppen met roken, maar lukt het niet, zoek dan hulp. Tegenwoordig is er gelukkig veel meer hulp beschikbaar bij het stoppen met roken.
Reageren op symptomen
Mensen met longkanker hebben meestal heel lang weinig opvallende klachten. Bovendien worden de klachten vaak in eerste instantie gezien als passend bij de leeftijd, zoals meer hoesten, kortademig worden en vermageren. Daardoor gaat men vaak pas (te) laat naar de dokter en wordt de diagnose longkanker (te) laat gesteld. Toch zijn er wel symptomen die kunnen wijzen op longkanker. Heeft u een aantal van deze symptomen, en heeft u veel en/of lang gerookt, laat u uw longen dan nakijken door de huisarts. Dit soort klachten kan uiteraard ook een hele andere oorzaak hebben. U kunt beter het zekere voor het onzekere nemen. Als het longkanker blijkt te zijn dan geldt: hoe eerder het wordt ontdekt, des te groter is de kans dat het goed te behandelen is.
Mogelijke klachten (zonder uitputtend te zijn):
- Veranderd hoestpatroon
- Hardnekkige prikkelhoest
- Bloed in het opgehoeste slijm
- Heesheid
- Piepende ademhaling
- Meer slijmvorming in de longen
- Zeurende pijn in de borst
- Slechter wordende conditie
- Gebrek aan eetlust
- Vermoeidheid
- Terugkerende luchtweginfecties
- Koorts zonder duidelijke aanleiding
- Toenemende kortademigheid
- Vermagering
Bevolkingsonderzoek
Als longkanker zoveel doden per jaar op zijn geweten heeft, waarom dan geen bevolkingsonderzoek, net zoals bij borstkanker? De reden dat dat niet gebeurt is eenvoudig. Tot nu toe zijn er nog geen methoden ontdekt die zo effectief zijn in het opsporen van longkanker in een zo vroeg stadium, dat er ook daadwerkelijk minder mensen aan doodgaan. Er zijn nu wel methoden die dit in de toekomst misschien mogelijk maken, en daar wordt nu onderzoek naar gedaan. Als je ervoor wil zorgen dat er minder mensen overlijden aan longkanker, dan moet je longkanker in een vroeg stadium opsporen. Het aantal mensen dat nog vijf jaar overleeft na de diagnose longkanker is 50% zolang de longkanker nog ‘lokaal’ is, niet uitgezaaid. Is de longkanker echter wel uitgezaaid, dan is het aantal mensen dat vijf jaar overleeft slechts tussen de 2 en de 20%, afhankelijk van waar de uitzaaiingen zijn. Helaas wordt maar ongeveer 15% van de gevallen ontdekt in het vroege stadium waarin de kanker nog niet is uitgezaaid. Het zou dus heel mooi zijn, als er een manier zou kunnen worden gevonden waarop longkanker op een makkelijke manier in een vroeg stadium zou kunnen worden ontdekt. Dit is echter niet zo eenvoudig. In het verleden zijn er onderzoeken gedaan met röntgenfoto’s als opsporingsmethode. Helaas missen röntgenfoto’s nog veel gevallen van longkanker, vooral longkanker in een vroeg stadium. Om op een foto een tumor te kunnen zien, moet deze een bepaalde grootte hebben. Er werden wel meer gevallen ontdekt, maar dat had niet tot gevolg dat er minder mensen overleden, omdat ze vaak uitgezaaid waren. Recentelijk is er onderzoek gedaan met CT-scans als screeningsmethode. Het gaat dan om CT-scans met een hele lage stralingsdosis, die weinig tijd kost, en nauwelijks duurder is dan een röntgenfoto. Met behulp van deze CT-scans werden in onderzoeken in Amerika en Japan meer gevallen van longkanker ontdekt, en ook in een vroeger stadium. Op dit moment worden zowel in de Verenigde staten als Nederland studies gedaan, waarmee aangetoond kan worden of dit preventief screenen met CT-scans inderdaad kan leiden tot vroege opsporing van longkanker, waardoor betere behandeling mogelijk is en de kans op lange overleving toeneemt.
Zolang dat nog niet is aangetoond, zal de methode zeker nog niet breed worden ingezet. Screening heeft namelijk ook nadelen. Het kost geld en tijd, maar levert in sommige gevallen ook onterechte verdenking van longkanker op.
vorige 25 artikels - 


