Een fobie zorgt voor excessieve reactie
Ruimtelijke fobieën of niet-reële angsten gaan ongeveer altijd gepaard met sterke lichamelijke prikkels als een bonkend hart, hyperventilatie, verandering van lichaamstemperatuur en desoriëntatie. Het is onduidelijk hoeveel mensen een fobie hebben. Er wordt naar alle waarschijnlijkheid veel geleden in stilte.Typisch voor een fobie is de excessieve reactie. Het is voor buitenstaanders moeilijk te begrijpen waarom mensen zo reageren. Ergens rond het vijfde of zesde levensjaar komen wij te weten wat wel en wat niet eng of vies wordt gevonden. Daar bestaan tussen gezinnen grote verschillen in. Wetenschappers hebben ontdekt dat mensen met een fobie dikwijls een groter aantal zaken vies en eng vinden dan anderen. De mogelijkheid op fobieën bij kinderen is ook groter als een van de ouders zelf een fobie heeft. Erfelijke aanleg speelt ook een rol. Uit onderzoek bij eeneiige tweelingen blijkt dat als een van hen een angststoornis heeft, als een fobie, de mogelijkheid groot is dat de ander haar ook ontwikkelt, ook als beiden afzonderlijk zijn opgevoed.
Hoe fobieën ontstaan is onduidelijk. Er is lang getheoretiseerd over de evolutionaire noodzaak om bang te zijn voor dieren als beren, haaien en giftige insecten. Maar dat verklaart niet waarom mensen ook bang kunnen zijn voor onschuldige diertjes als spinnen of kakkerlakken. Er bestaan geen aanwijzingen dat die beestjes vroeger heel gevaarlijk waren. De laatste jaren wint de stelling terrein dat sommige dieren bij alle mensen gevoelens van walging oproepen, waarbij er zich bij een klein deel van de zeer ‘walgingsgevoeligen' een specifieke fobie kan ontwikkelen. Dit hangt vooral samen met de beweeglijkheid van de diertjes en de mate waarin ze in de leefomgeving lees meer over Een fobie zorgt voor excessieve reactie




