Een baby met Down-syndroom
Het Down-Syndroom
Het
Down-Syndroom is bij baby's op basis van een aantal
uiterlijke kenmerken over het algemeen snel te herkennen. Het wordt bijna altijd direct bij de geboorte vastgesteld, of anders toch binnen enkele weken daarna. Langdon Down beschreef in 1866 voor het eerst het syndroom, dat naar hem werd genoemd. Hij noemde in de publicatie 10 belangrijke herkenningspunten. Daarna zijn er heel veel meer beschreven. Een
baby met Down-Syndroom heeft natuurlijk niet al deze kenmerken. Bij elk kindje gaat het weer om een andere combinatie en ook de herkenbaarheid ervan kan sterk wisselend zijn. Bovendien heeft elk kind, net als elk ander kind, ook een flink aantal trekken van zijn vader en zijn moeder. Kinderen met Down-Syndroom zijn dus nooit hetzelfde!
Geringe spierspanning
Baby's met Down-Syndroom hebben vrijwel altijd een
geringe spierspanning. De spieren kunnen zo ontspannen zijn dat het kind helemaal slap is. Sommige reflexen, die spierspanning vereisen, kunnen ontbreken. Een geringe spierspanning heeft gevolgen voor het bewegen, de kracht en de ontwikkeling van het kind. Daarom is het belangrijk om al vroeg, met hulp van een kinderfysiotherapeut, te beginnen met oefeningen die de spieren kunnen versterken.
Het hoofd
Baby's met Down-Syndroom hebben een kenmerkend uiterlijk. Soms is het hoofdje van achteren enigzins afgeplat en is de nek wat korter. De zachte plek bovenop het hoofdje (de fontanel) is bijna altijd wat groter dan gemiddeld.
Gelaatstrekken
Veel onderdelen van het
gezicht van kinderen met Down-Syndroom zijn doorgaans wat
kleiner dan normaal. Ze hebben dikwijlseen klein neusje en ook de neus- en bijholten zijn klein. Mede als gevolg daarvan kan de baby meer hinder hebben van verkoudheden. Sommige baby's hebben een klein mondje, dat ook van binnen kleiner kan zijn. Dit maakt dat de tong kleiner lijkt. Is ook de spierspanning gering en zit het neusje verstopt als gevolg van een
luchtweginfectie, dan houdt het kind dikwijlsde mond
lees verder