Het griepvaccin, wat u moet weten!
Algemene informatie
Het influenzavaccin (griepvaccin) wordt gegeven aan patiënten met een verhoogd risico op griep, bijv. ouderen, patiënten met hart-en vaatziekten, astmapatiënten, patiënten met suikerziekte en patiënten met een verminderde nierfunktie.Niet te gebruiken bij
Bij personen die hoge koorts hebben wordt, als mogelijk, geadviseerd de vaccinatie in een later stadium te nemen. Aangezien het vaccin gemaakt is op basis van kippeneiwit wordt het vaccin niet geadviseerd bij personen die overgevoelig zijn voor kippeneiwit of overgevoelig zijn voor één van de bestanddelen van het vaccin.Gebruik gedurende zwangerschap en het geven van borstvoeding
Over het gebruik van dit vaccin gedurende de zwangerschap bij de mens en over de effecten in dierproeven bestaan onvoldoende gegevens om een eventuele schadelijkheid te kunnen beoordelen. Het vaccin kan gegeven worden aan vrouwen die borstvoeding geven.Wisselwerking met andere vaccins en/of medicijnen
Het influenza vaccin kan gegeven worden in combinatie met andere vaccinaties. Er wordt wel geadviseerd te injecteren op verschillende injectieplaatsen.Dosering en de wijze van gebruik
Het influenzavaccin kan gegeven worden bij volwassenen en kinderen vanaf 6 maanden. Het vaccin wordt in een spier gespoten, bij voorkeur in de bovenarm of dijbeen. Volwassen en kinderen vanaf 36 maanden krijgen éénmaal een inspuiting met 0.5ml. Kinderen van 6 tot 36 maanden krijgen een inspuiting met 0.25-0.50ml van het vaccin. Aan kinderen van 6 tot 36 die nog niet eerder zijn gevaccineerd of niet eerder influenza hebben gehad wordt een tweede dosis geven minstens 4 weken na de eerste dosis. Eén inspuiting geeft meestal 6-12 maanden bescherming en maximale bescherming wordt bereikt 2 tot 3 weken na vaccinatie. De samenstelling van het griepvaccin veranderd jaarlijks en wordt bepaald door de Wereldgezondheidsorganisatie.Speciale waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Vaccinatie dient tijdig, bij voorkeur in het najaar, te geschieden. Bij gelijktijdige toediening met andere vaccins dienen de vaccins op verschillende plaatsen geïnjecteerd te worden. Het is aan te raden het toedienen van het influenzavaccin uit te stellen bij koorts of een acute infectie. Geneesmiddelen die het immuunsysteem onderdrukken (bijv. corticosteroïden, cytostatica) kunnen de doeltreffendheid van het vaccin nadelig beïnvloeden.Bijwerkingen
De meest voorkomende bijwerkingen na vaccinatie met het influenzavaccin zijn: koorts, malaise, vermoeidheid, zweten, spierpijn, rillingen en hoofdpijn; deze bijwerkingen verdwijnen meestal binnen 1 tot 2 dagen. Op de plaats van inspuiting kunnen voorkomen: huidirritatie, jeuk, warmte, pijn, blauwe plekken en verharding.(overgenomen met schriftelijke toestemming van:http://www.reisvaccinatieplanner.nl)




