Broers en zussen en autisme
Broers en zussen zijn in de jeugd elkaars vanzelfsprekende metgezellen, die net zo gemakkelijk ruzie met mekaar maken als dat zij voor mekaar opkomen in moeilijkheden. Al die dagelijkse schermutselingen en vertrouwelijkheden dragen bij aan een altijd hechtere relatie, die dikwijls levenslang van betekenis blijft. Wanneer een kind door autisme wordt beperkt in het leggen van contact, wordt niet alleen de verhouding met de ouders, maar ook die met de broers en zussen danig in de war gestuurd.Zonder om mekaar gevraagd te hebben, zullen broers en zusters, of zij willen of niet, jarenlang deel van elkaars leven uitmaken. Hun contact is niet alleen maar hartelijk. Men moet niet alleen de aandacht van de ouders, maar ook de in het gezin beschikbare middelen delen. Dat geeft nogal eens aanleiding tot competitie, vandaar dat de onderlinge relatie (in elk geval in de jeugd) met rivaliteit gepaard gaat.
Maar broers en zussen zijn ook het eerst op mekaar aangewezen voor gezelschap en samenwerking, waardoor hun relatie niet alleen door rivaliteit, maar ook door verbondenheid wordt gekenmerkt. Omdat broers en zussen zich niet hoven in te spannen om van elkaars gezelschap verzekerd te zijn, gaan zij onbevangen met mekaar om. Bij een dergelijke relatie hoef je je niet mooier voor te doen dan je bent. Broers en zussen oefenen invloed uit op de ontwikkeling van een kind. Bijvoorbeeld op de vorming van het zelfbeeld. Wij leren onszelf kennen door ons te spiegelen aan onze medemensen. Voor kinderen telt daarbij vooral de vergelijking met andere kinderen in hun omgeving - broers, zussen, vrienden en vriendinnen. Dat een volwassene alles beter kan, zegt niet zoveel, maar wel de vergelijking met iemand die zich in je buurt bevindt.
In de omgang met broers en zussen leren kinderen hun weg te vinden in het sociale contact. Broers en zussen vormen voor mekaar een heel betrouwbaar gezelschap; je weet dat je de ander binnenkort weer tegenkomt, hoe je ook uit mekaar bent gegaan. Van je ouders leer je hoe je officieel moet gedragen, maar van je broers en zussen hoe het er in het werkelijke leven aan toegaat. Dat wil zeggen hoe je smoesjes moet gebruiken, de ander een beetje onder druk moet zetten en hoe je je huid kunt redden door snel een compromis te sluiten. Je leert ook hoe je na heel boos te zijn geweest, mekaar toch weer opzoekt om tot een nieuwe start te komen.
De vorming van het zelfbeeld en het opbouwen van een sociaal repertoire - het zijn maar twee grepen uit het veel grotere gebied van zaken waarin broers en zussen mekaar kunnen beïnvloeden. In alle gevallen gaat het erom dat het wederkerige karakter van de relatie gelegenheid biedt tot een uitlopende reeks aan gedeelde ervaringen. (ruzie maken, rivaliseren, helpen, geholpen worden spelen) Met een autistisch broertje of zusje is juist die wederkerigheid zo pijnlijk afwezig.




