Vis en kanker: exit omega-3?
De lijst van de positieve eigenschappen van de
omega-3 vetzuren is lang. Een recente studie toont echter aan dat wij voorzichtig moeten zijn met bepaalde beweringen, vooral ook omwille van methodologische problemen verbonden met bepaalde studies. Alfa-linoleenzuur wordt in wetenschappelijke kringen aanzien als de primus interpares onder de vetzuren : de positieve eigenschappen die geassocieerd werden met een hoge opname aan alfa-linoleenzuur zijn nog nauwelijks op te sommen: bescherming tegen hart- en vaatziekten, kanker, dementie, hyperactiviteit, depressie,
allergie, … Een recent artikel (1) uit het ernstig wetenschappelijk tijdschrift Jama kan op het eerste zicht hierin verandering brengen. De auteurs voerden een meta-analyse uit van prospectieve cohortstudies uitgevoerd tussen 1966 en 2005. Deze studies onderzochten de relatie tussen een dagelijkse visconsumptie en het risico op
kanker.
Een mager resultaat
Bij het lezen van deze analyse moet men vaststellen dat de gegevens eerder beperkt zijn. Slechts 38 studies bleven over die een relatief risico konden bepalen tussen de inname aan
omega-3 vetzuren via de voeding en de verschillende vormen van kanker. Wanneer wij dieper ingaan op de analyse, dan leiden de resultaten ons van ontgoocheling naar ontgoocheling. Voor darmkanker was er slechts één studie met een relatief risico dat een protectie aantoonde van een hoge omega-3 inname; 17 relatieve risico’s konden geen beschermende associatie aantonen. Dezelfde negatieve resultaten vond men voor longkanker, huidkanker en prostaatkanker. Praktisch gezien konden deze cohortstudies de aanmoedigende resultaten van omega-3 bij dierproeven niet bevestigen. Een mogelijke uitleg is dat in praktisch alle cohortstudies de inname aan omega-3 geschat werd aan de hand van de dagelijkse visconsumptie.
Een paar opmerkingen over de methodologie
De meeste prospectieve cohortstudies gebruikten voedselfrequentielijsten om de
dagelijkse voeding te registreren. Deze keuze wordt vooral bepaald omwille van financiële beperkingen: het toepassen van voedingsanamnesen op een populatie van meer dan 20.000 personen is arbeidsintensief en budgettair ongeveer onmogelijk. Een andere studie (2) toonde recent aan dat voedselfrequentielijsten zeer slecht scoren wanneer de opname aan micro- en macronutriënten vergeleken wordt met andere methoden als voedingsanamnesen of excretie van
stikstof. De correlatie tussen voedselfrequentielijsten en multipele voedingsanamnesen was lager dan 0,4 wat een vrij belangrijke discrepantie aantoont tussen alle twee methoden. De gevolgen voor het onderzoek naar voeding en kanker kunnen belangrijk zijn: herhaaldelijk werden er verschillen aangetoond tussen de bevindingen uit case-control studies en uit cohortstudies. Positieve associaties uit case-control studies konden niet bevestigd worden in cohortstudies, wat volgens Kristal et al. (2) te wijten zou zijn aan het gebruik van voedselfrequentielijsten en dus aan een onnauwkeurige registratie van de
voedingsfactoren. In de praktijk werd dit op flagrante wijze aangetoond door Bingham et al. (3): in een cohortstudie vonden ze geen associatie tussen vet en borstkanker wanneer de vetopname geregistreerd werd met voedselfrequentielijsten, ze vonden wel een statistisch significante en omgekeerde associatie wanneer de
vetopname geregistreerd werd via voedingsanamnesen. Het gebruik van voedselfrequentielijsten kan dus de relatie tussen omega-3 en kanker
lees meer over Vis en kanker: exit omega-3?