Hoe werkt humorale specifieke afweer juist?
Wanneer een ziekteverwekker het lichaam binnenkomt komt deze vrijwel direct in aanraking met de macrofaag. Deze plaatst de hele tijd resten van eiwitten op het celmembraan. Op die manier komen ook stukjes 'verteerd' bacterie-eiwit op het membraan van een macrofaag terecht. Tussen die stukjes bevinden zich de specifieke bacterieantigenen. Vervolgens zoekt de macrovaag contact met de lymfocyten. (Dit proces kan je zien in het vorige hoofdstuk bij algemene afweer.) Door dit bacterie-antigeen wordt er een B-lymfocyt en een T-lymfocyt geactiveerd omdat zij op hun celmembraan een receptor hebben die past op het bacterieantigeen. De T-lymfocyt deelt zich vervolgens in een aantal T-geheugencellen en een groot aantal T-helpercel. De T-geheugencellen blijven inactief aanwezig voor de volgende keer dat de ziekteverwekker het lichaam binnen probeert te dringen. De T-helpercellen gaan chemische signalen afgeven; cytokinen. De geactiveerde B-lymfocyt wordt door de cytokinen gestimuleerd tot deling. Hij deelt zich in een aantal B-geheugencellen en een groot aantal plasmacellen. De B-geheugencellen blijven ook inactief aanwezig voor de volgende keer dat de ziekteverwekker het lichaam binnen probeert te dringen. De plasmacellen die gevormd worden hebben een groot endoplasmatisch reticulum, veel mitochondriën en een groot aantal ribosomen. Van het totale aantal lymfocyten (14 * 1011) zijn er ongeveer 2,5 * 1010 antilichamen producerende plasmacellen. Het grootste gedeelte hiervan zit in het beenmerg. Verder komen ze voor in de milt en in de overige lymfoïde organen. Plasmacellen maken grote hoeveelheden antistoffen, deze reageren specifiek tegen één ziekteverwekker. Enkele dagen na een infectie bevatten je bloed en lymfe grote hoeveelheden van de antistof tegen de ziekteverwekker. Hiermee kan de ziekteverwekker uitgeschakeld worden.
(overgenomen met schriftelijke toestemming van:http://www.smcbio.nl/profielwerkstuk/hepatitisb/frameset.html)




