Urine
Een onderzoek op de aanwezigheid van glucose in de urine is van niet veel waarde. De mate waarin de nieren glucose doorlaten wisselt namelijk nogal. Het is zinvoller om de urine op geregelde tijdstippen te onderzoeken op de aanwezigheid van eiwit (1 x per 3 à 6 maanden). Dat is nodig om een begin van nierbeschadiging op te sporen. Tegenwoordig gebeurt dat met een gevoelige methode, waarmee reeds kleine hoeveelheden eiwit te meten zijn. Deze bepaling heet ‘micro-albumine’. Bij een acute ontregeling bij een type 1 patiënt in de zin van hoge bloedglucosewaarden is meting van aceton (ketonen) in de urine zinvol. Patiënten kunnen dit ook zelf doen. Hiervoor zijn speciale teststrookjes ontwikkeld, die men zelf in de urine kan dopen. Als er aceton in de urine zit, verandert het teststrookje van kleur.
Glucose dagcurves
Een dagcurve houdt in dat men meerdere malen per dag bloed afneemt en de bloedglucosewaarde bepaalt. Gewoonlijk gebeurt dat in elk geval eenmaal nuchter (voor het ontbijt) en minstens 2 maal na de maaltijd. Soms wordt er wel op 7 momenten per 24 uur een bloedglucosewaarde bepaald. Het meten van het bloedglucosegehalte uit een ’s nachts afgenomen bloedmonster is niet zo belangrijk, omdat de waarde meestal goed af te leiden is van de waarden voor het slapen en bij het opstaan. Het moment waarop ’s nachts een hypo optreedt, is afhankelijk van het gebruikte insulineregime. Na een nachtelijke hypo is vooral de glucosewaarde in de loop van de ochtend dikwijls verhoogd. Bij een vier- of vijfmaal daags insulineregime zijn de bloedglucose waarden voor de maaltijden en voor het slapen het belangrijkst, omdat daarop insulinedoseringen zonodig kunnen worden aangepast (de zogenoemde intensieve of flexibele insulinetherapie). Het meten van de bloedglucosewaarden is een stuk eenvoudiger geworden sedert er methoden zijn waarmee patiënten zelf hun bloedglucosegehalte kunnen meten, reeds of niet met behulp van een glucosemeter.
HbA1c of geglyceerd hemoglobine
De bepaling van de hoeveelheid HbA1c is een indirecte methode om de gemiddelde bloedglucosewaarden over een langere periode (2 à 3 maanden) na te gaan. Het principe van de bepaling is gebaseerd op het gegeven dat suikerachtige stoffen zich hechten aan hemoglobine (de rode bloedkleurstof in de rode bloedcellen, die de zuurstof (O2) transporteren) en dit dus ‘glyceren’. Bij het bloedonderzoek wordt gemeten welk percentage van de totale hoeveelheid hemoglobine (Hb) is veranderd in geglyceerd hemoglobine (HbA1c). Omdat dit geglyceerde hemoglobine gemiddeld 6 à 8 weken in het bloed blijft, geeft het over die periode een indruk van het gemiddelde bloedglucosegehalte. De normale waarde is meestal 4 - 6 procent.
Fructosamine
Deze eiwitbepaling berust op hetzelfde principe als de bepaling van het HbA1c. Fructosamine is een eiwit in het bloed dat suikerachtige stoffen aan zich bindt. Omdat deze stof korter in het bloed blijft dan het HbA1c geeft het bepalen van de hoeveelheid fructosamine een idee van de bloedglucosewaarden van de laatste 2 à 3 weken.
Periodiek onderzoek
Eens per jaar zal een extra onderzoek worden gedaan. Wat betreft het laboratoriumonderzoek omvat dit in elk geval meting van de nierfunctie. Dit gebeurt door het kreatininegehalte in het bloed te meten en te onderzoeken of zich in de urine kleine hoeveelheden eiwitten (microalbumine) bevinden. Verder wordt de hoeveelheid cholesterol en triglyceriden en ook het HDL-cholesterol in het bloed gemeten. Soms wordt een urinekweek ingezet. Dat is een onderzoek waarbij – in verband met de gevoeligheid voor infecties van de urinewegen – gekeken wordt of zich in de urine bacteriën bevinden en om welk type bacterie het dan gaat. Daarnaast wordt meestal een hartfilm (ECG) gemaakt en kijkt de oogarts of er sprake is van retinopathie (netvliesafwijkingen).
Acute ontregelingen
Vroeger was het niet ongewoon dat bij een patiënt pas diabetes werd vastgesteld als er een complete ontsporing van de ziekte had plaatsgevonden, dikwijls tot coma toe. Omdat het meten van het bloedglucosegehalte tegenwoordig zo veel gemakkelijker is geworden, zien wij dat nu gelukkig minder vaak. Toch kunnen dergelijke ontsporingen of ontregelingen nog optreden, zowel in het begin als eerste uiting van de diabetes, als gedurende het latere beloop. Het gaat hierbij om de hyperglykemische ontregeling of hyper, waarbij de bloedglucosewaarden (sterk) zijn verhoogd. Bij de type 2 diabeet is meestal sprake van een sterke uitdroging. Het bewustzijn kan zover dalen dat er sprake is van een coma. Ook kan er een coma optreden doordat het bloedglucosegehalte juist heel laag is. In dat geval spreken wij over hypoglykemie of kort gezegd een 'hypo'. Een hypo treedt eigenlijk alleen op bij diabeten die reeds worden behandeld met tabletten of insuline.
Als je dit artikel interessant vond en op de hoogte wilt blijven schrijf je dan in op onze nieuwsbief




