Hoe verloopt de diagnose en het onderzoek van diabetes?
Bij diabetes mellitus type 2 is het beloop gewoonlijk milder dan bij type I. Hoewel wij ook hierbij dezelfde verschijnselen als bij type 1 diabetes kunnen zien, zijn ze minder ernstig. Vaak zijn dorst en veel plassen de enige klachten. Het bloedglucosegehalte is ook wat minder sterk verhoogd dan bij type 1 diabetes. Omdat de klachten zo mild kunnen zijn en zo traag tot ontwikkeling komen, kan het meer dan een jaar duren voordat de diagnose wordt gesteld. Het is dan ook mogelijk dat type 2 diabetes voor het eerst aan het licht komt door klachten die het gevolg zijn van de langetermijncomplicaties of een ernstige ontsporing (sterke verhoging van het bloedglucosegehalte, bvb gedurende een koortsende ziekte).
Bloedglucosemeting
Voor de definitieve vaststelling van de diagnose diabetes mellitus is het nodig om de hoeveelheid glucose in het bloed te meten. Hierbij is een eenmalige meting dikwijls niet voldoende. Vroeger paste men voor het vaststellen van de diagnose diabetes de zogeheten glucosetolerantietest toe (GTT of suikerbelastingstest). Dat is een test waarbij wordt gekeken tot welke hoogte het suikergehalte in het bloed stijgt na het drinken van een bepaalde hoeveelheid suikerwater. Vervolgens wordt dan elk half uur gekeken tot hoever het suikergehalte weer is gedaald. Al met reeds duurt deze test ongeveer drie uur en wordt men gedurende die periode vier tot zes keer geprikt. Omdat deze test niet altijd betrouwbaar is en onaangenaam is voor de patiënt, wordt hij niet veel meer toegepast. In sommige klinieken wordt de test nog wel gebruikt om zwangerschapsdiabetes aan te tonen. Voor het stellen van de diagnose wordt nu gewoonlijk volstaan met een eenmalige bloedafname. Dat kan een 'nuchtere' bloedglucosebepaling zijn ('nuchter' wil zeggen: 's morgens voordat men iets heeft gegeten of gedronken), of een bepaling uit bloed dat ongeveer twee uur na de maaltijd is afgenomen. Het bloedmonster wordt meestal met behulp van een vingerprik verkregen.
De bepaling vindt later plaats in het lab of direct met behulp van een eenvoudige bloedglucosemeter. Om de diagnose definitief vast te stellen is het noodzakelijk dat minstens tweemaal een verhoogde bloedglucosewaarde aangetoond wordt. Als het suikergehalte in het bloed na de maaltijd tussen 7,8 en 11,1 Mmol/l ligt, geeft dit aan dat het lichaam niet geheel normaal met een grote hoeveelheid glucose kan omgaan. Van diabetes mellitus mag in dit geval echter volgens de maatstaven van de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) niet worden gesproken. We spreken in dit geval van een gestoorde glucosetolerantie. Slechts een deel van de mensen met een gestoorde glucosetolerantie krijgt uiteindelijk diabetes. Wel kan er dan sprake zijn van een verhoogde neiging tot atherosclerose (aderverkalking).
De nieuwe glucosegrenswaarden voor de diagnose diabetes mellitus zijn vastgesteld door de Amerikaanse diabetesvereniging en de Wereld Gezondheids Organisatie. Een nieuwe categorie is toegevoegd, met name die waarbij de bloedglucosewaarden na de maaltijd normaal zijn, maar de nuchtere waarde tussen 5.6 en 6.1 ligt; men spreekt dan van gestoorde nuchtere glucose. De achtergrond hiervan is dat tot nu toe onontdekte diabeten dan eerder kunnen worden opgespoord. De keerzijde van de medaille is dat bij mensen die zich gezond voelen een ziekte wordt vastgesteld, wat ook consequenties kan hebben voor het afsluiten van verzekeringen (bijv. een levensverzekering). Bij het vaststellen van zwangerschapsdiabetes gelden dezelfde criteria als bij de 'gewone' diabetes. Een duidelijk verschil is dat bij zwangerschapsdiabetes reeds tot behandeling zal worden overgegaan indien het bloedglucosegehalte (bij herhaling) hoger is dan 7 Mmol/l (of als het nuchter 5,8 Mmol/l of hoger is).
C-peptide
C-peptide (of connecting peptide) is een stof die in de alvleesklier vrijkomt bij de vorming van insuline. Het is, samen met het insuline, afkomstig van het pro-insuline dat door de alvleesklier wordt gemaakt. Zodra er insuline nodig is, deelt het pro-insuline zich in nagenoeg gelijke hoeveelheden insuline en C-peptide. Het C-peptide is daarom een goede maat voor de hoeveelheid nog door de alvleesklier geproduceerde insuline. Het meten van de hoeveelheid C-peptide in het bloed (de zgn. C-peptide spiegel) kan dus gebruikt worden om een onderscheid te maken tussen de twee typen diabetes. Bepaling van de hoeveelheid C-peptide heeft overigens gedurende het begin van de ziekte slechts beperkte betekenis. In de eerste periode van de type 1 diabetes kan het C-peptide namelijk nog normaal present zijn. In het latere beloop van de diabetes kan het bepalen van de C-peptide spiegel soms wel zinvol zijn.
Laboratoriumonderzoek
Om het risico op langetermijncomplicaties zo veel mogelijk te beperken, moeten de bloedglucosewaarden zo veel mogelijk binnen de normale grenzen blijven. Daartoe is op geregelde tijdstippen bloedonderzoek noodzakelijk. In verband hiermee is om te beginnen het laboratoriumonderzoek van groot belang bij de begeleiding van een diabeet. Tegenwoordig lees meer over Hoe verloopt de diagnose en het onderzoek van diabetes?




