Oorzaak nog onduidelijk
Het eerste geval van de ziekte van Alzheimer werd reeds beschreven in 1907. De Duitse neuroloog Aloïs Alzheimer kreeg in die tijd te maken met een 51-jarige demente vrouw, die gedragsveranderingen vertoonde en aan geheugenverlies leed. Naarmate haar toestand verergerde werd ze apathischer, tot ze uiteindelijk bedlegerig en volledig incontinent werd. De letsels die na haar overlijden in haar hersenen werden vastgesteld, zijn vandaag nog altijd bepalend voor de diagnose van Alzheimer. Wat bij Alzheimer de geestelijke achteruitgang veroorzaakt, is nog altijd niet helemaal duidelijk. Wel is bekend dat door de ziekte zenuwcellen in de hersenen, ook wel neuronen genoemd, langzaam maar zeker afsterven. De oorzaak daarvan is een bepaald soort eiwit, amyloïd, dat zich in abnormale hoeveelheden tussen de zenuwcellen ophoopt. Die ophopingen worden seniele plakken genoemd. Maar ook in de zenuwcellen zelf ontstaan na verloop van tijd afwijkingen, die eruit zien als kluwens van draadvormige eiwitten. Beide letsels, de plakken en de kluwens, zorgen er samen voor dat de zenuwcellen in de hersenen niet meer met mekaar kunnen communiceren. Op de duur sterven de zenuwcellen af, wat verklaart waarom Alzheimerpatiënten aan een toenemende vorm van geheugenverlies lijden.
Behandeling in zicht ?
Op een definitieve behandeling van de ziekte van Alzheimer blijft het wachten. Onlangs waren er nog hoopvolle berichten over een mogelijke doorbraak. Een onderzoeksgroep van het Centrum voor Menselijke Erfelijkheid van de KU Leuven pakte uit met nieuwe inzichten rond bepaalde eiwitten die inwerken op het amyloïd-eiwit. Dat amyloïd-eiwit maakt deel uit van de seniele plakken en is volgens bepaalde hypotheses verantwoordelijk voor aanpassingen in de zenuwcellen die aan de basis liggen van de ziekte. Wetenschappers hopen dat een verminderde vrijstelling of een snellere opruiming van dit eiwit de ziekte kan voorkomen. 'Maar daarbij stelt zich de vraag of het haalbaar is dat proces om te keren, en zo ja, hoe snel je er dan bij moet zijn', nuanceert prof. dr. Patrick Cras. 'Uit vroeger onderzoek weten wij dat de hersenen van een Alzheimerpatiënt reeds in een heel pril stadium veel letsels vertonen. Het komt er dus op aan de ziekte heel vroeg op te sporen. Op dat vlak heeft onze dienst een belangrijke bijdrage geleverd. In 1991 ontdekten wij dat je in het ruggenmergvocht de zogenaamde protëine tau kunt opsporen. Dat is de meest elementaire bouwsteen van de neurofibrillaire kluwens, die mee aan de basis van het ontstaan van de ziekte liggen. De proteïne tau kan heel vroeg gedetecteerd worden. Die test wordt vandaag meer en meer toegepast, dikwijls tesamen met het opsporen van de hoeveelheid amyloïd-eiwit in het ruggenmergvocht.'
Als je dit artikel interessant vond en op de hoogte wilt blijven schrijf je dan in op onze nieuwsbief




