Amputatie bij één op vijf patiënten
Dankzij de lidmaatsparende chirurgie van vandaag komen amputaties veel minder dikwijls voor dan vroeger: een tiental jaar geleden nog in tachtig procent van de gevallen, nu is dat nog twintig procent. "We doen alles om iemands been te sparen. Maar als een patiënt zonder amputatie geen overlevingskans heeft, hebben wij geen keuze. De meeste mensen hebben daar begrip voor. Ze stellen zich in de eerste plaats de vraag: 'hoe kan ik overleven?' Soms is er wel een keuze: wij kunnen bvb het been wel behouden, maar dan is de mogelijkheid dat de kanker terugkeert groter dan wanneer wij amputeren. Dan zie je dikwijls dat die mensen zeggen 'dokter, amputeer toch maar." In andere gevallen is amputatie niet nodig om de tumor klein te krijgen, maar wel om een normale bewegingsvrijheid toe te laten. Want soms moet er zoveel bot weggenomen worden, dat een reconstructie nog nauwelijks haalbaar is. Tenslotte zijn er ook binnen het reconstructiegebeuren verschillende methodes, met elk hun voor- en nadelen. Somville: "Ik informeer de patiënt heel grondig, zodat hij goed weet waarvoor hij kiest. Dat moet ook. Want na de ingreep volgt een zware revalidatie, die alleen maar kan slagen als die persoon voor 300 procent achter zijn keuze staat. Mensen vertellen me wel eens dat ze een nachtje wakker gelegen hebben van die beslissing. Wel, van mij moeten ze er van wakker liggen."
Revalidatie
De revalidatie na de eigenlijke behandeling duurt al snel zes maanden tot een jaar. Nadat het vreemde bot is ingegroeid, leert de patiënt zijn been opnieuw gebruiken met behulp van kinesitherapie. "En dan zien wij ze hier vertrekken", glimlacht Somville. "Met hun beperkingen. Zware fysieke arbeid of belastende sporten, als skiën, paardrijden of voetballen, zijn er voor patiënten met een reconstructie niet meer bij. Maar wandelen en zwemmen kan bvb wel. Meestal aanvaarden ze die beperkingen vrij goed. Het is de prijs die ze betalen om in leven te blijven, of hun been te behouden."
Psychologische weerslag
Psychisch worden de meeste patiënten nooit meer als voordien. "Mensen die zoiets hebben meegemaakt, leven anders", weet Somville. "Jongeren van veertien of zestien worden in een paar maanden tijd een heel stuk volwassener. Alsof ze opeens 25 zijn. Ze zijn dikwijls wijzer dan andere mensen. Ik heb reeds veel van mijn patiënten geleerd. Relativeringszin bijvoorbeeld. Dat je niet moet zeuren omdat het vandaag slecht weer is, of omdat de soep te zout is." Het schrikbeeld van hun ziekte blijft patiënten dikwijls nog jarenlang parten spelen. "Alsof er een spookje de volledige tijd in de hoek van de kamer zit", omschrijft Somville. "Op sommige momenten wordt dat spookje opeens heel groot. Als de patiënt op controle komt bijvoorbeeld."
Als je dit artikel interessant vond en op de hoogte wilt blijven schrijf je dan in op onze nieuwsbief



