De magneetscan als hulp bij de diagnose van MS
Een MRI-scan (magneetscan) geeft nauwkeurige beelden van hersenen en ruggenmerg en kunnen littekens in de hersenen en het ruggenmerg zichtbaar worden gemaakt. De afwijkingen veroorzaakt door het ms-proces zijn goed zichtbaar te maken met MRI. Om de diagnose ms goed te kunnen stellen is een MRI-scan nodig en met een MRI kan ook toename van ms-afwijkingen worden aangetoond. Dit laatste is zeer belangrijk bij onderzoek naar nieuwe medicijnen. Met de MRI-scan is bijvoorbeeld aangetoond dat behandeling met Interferon-beta een sterke vermindering van de ms-afwijkingen in de MRI veroorzaakt. Het is voor een behandelend neuroloog van belang om te weten of de ziekte actief is. Soms is dat moeilijk op te maken uit klachten en verschijnselen, bijvoorbeeld als oude verschijnselen lijken toe te nemen. In zo'n geval kan een nieuwe MRI dikwijlshelpen bij het bepalen van de verdere behandeling. Als er nieuwe verschijnselen zijn ontstaan is het voor de neuroloog belangrijk om te weten hoe ernstig deze zijn. Een MRI kan helpen daarin inzicht te krijgen. Het verband echter tussen het aantal haarden wat te zien is op de MRI-scan en de ernst van de ziekte is gering. De haarden die op een MRI worden gezien hebben elk een andere samenstelling en bouw. Sommige haarden duiden op weefselafbraak, andere alleen op een stoornis van de myeline, waarbij de zenuwvezels intact zijn gebleven. Weer andere tonen volledig herstel, maar blijven zichtbaar door een teveel aan water. Daarnaast is het aantal haarden dat in opeenvolgende MRI-scans verschijnt en verdwijnt ongeveer tien keer zo groot als het aantal aanvallen in hetzelfde tijdvak. Er zijn dus veel haarden op de MRI-scan die niet met aanvalsverschijnselen gepaard gaan. Ca. 5% van de ms-patienten hebben geen afwijkingen op de MRI-scan. Het maken van een MRI-scan is uiterst patientvriendelijk en kan ook regelmatig herhaald worden, de patient ondervindt hier geen enkele hinder van.



