Omdat zij in kleur verschillen van het omliggende, gezonde weefsel, zijn laesies dikwijls met het blote oog te zien in hersen- en ruggenmergweefsel van overleden MS-patiënten; gebieden met veel myeline zijn wittig van kleur. Het verlies van myeline rondom zenuwvezels is duidelijk waarneembaar als dunne schijfjes van het weefsel onder een microscoop worden bekeken. Het myeline in zulke microscopische preparaten wordt te zien gemaakte met specifieke kleurstoffen of met behulp van antilichamen (antistoffen) die specifiek aan het myeline binden. Laesies of plaques zijn veelal te zien op beelden opgenomen met een magnetic resonance imager (MRI); een MRI is een techniek waarbij met behulp van magnetische velden een beeld van de hersenen en het ruggenmerg wordt gemaakt. De vorming van nieuwe laesies kan in de tijd worden gevolgd door regelmatige MRI scans te maken. Veranderingen die optreden gedurende het verouderen van de laesies kunnen op deze manier ook worden gevolgd.
Ontstekingen
Ontstekingsreacties kunnen overal in het centrale zenuwselsel van MS-patiënten waar gemyeliniseerde vezels zich bevinden ontstaan. Dus niet alleen in de zogenaamde ‘witte’ stof, het gedeelte van het zenuwstelsel dat grotendeels bestaat uit gemyeliniseerde zenuwvezels, maar ook in de zogenaamde ‘grijze’ stof dat naast gemyeliniseerde vezels ook de cellichamen van de zenuwcellen bevat. Ontstekingshaarden worden echter het meeste aangetroffen in de oogzenuwen, het ruggenmerg en in de witte stof rondom de hersenventrikels. Een onsteking lijkt te beginnen rondom een klein ader en dan breidt zich dan uit. Pas aangedane gebieden zitten vol met verschillende typen ontstekingscellen. Bij wat oudere laesies bevinden deze cellen zich voornamelijk aan de randen. Na een tijdje stopt de onstekingsreactie en de immuuncellen verdwijnen dan langzaam uit de aangetaste gebieden. Oude, uitgebluste laesies bevatten nog maar niet veel ontstekingscellen. Na een tijdje kan de ontstekingsreactie weer opflakkeren, waardoor er weer meer demyelinisatie optreedt en de laesies zich uitbreiden. Daarnaast kunnen er nieuwe ontstekingen op andere plekken in het centrale zenuwstelsel ontstaan. Als dunne schijfjes van het onstoken hersen-, ruggenmerg- of oogzenuwweefsel worden bekeken onder een microscoop vallen de met myeline-gevulde macrofagen onmiddelijk op. Deze cellen nemen het door de onstekingsreactie beschadigde myeline op en breken het af. Vanwege hun kenmerkende vorm worden macrofagen ook wel schuimcellen genoemd. Naast macrofagen bevatten de ontstoken gebieden ook T- en B-lymfocyten.
Remyelinisatie
Na beschadiging van het myeline en de myelinevormende oligodendrocyten treedt er een herstelproces op, genaamd remyelinisatie, ofwel terugvorming van myelineschedes om zenuwvezels waarvan de schedes eerder verdwenen zijn. De beschadigde oligodendrocyten vormen nieuwe myelineschedes of er worden, als deze cellen lokaal zijn afgestorven, uit een populatie van stamcellen nieuwe oligodendrocyten gegenereerd. De uitlopers van deze nieuwgevormde oligodendrocyten wikkelen zich om de naakte zenuwvezels om nieuwe myelinesegmenten te vormen. Vanwege de geringere dikte van het de nieuwe schedes, verschillen de gerepareerde laesies nog in kleur van het omliggende, gezonde weefsel. Ze worden daarom ook wel schaduwplaques genoemd. De nieuwe myelineschedes zijn tevens korter dan normaal. Na het herstelproces is de impulsgeleiding lokaal weer hersteld. Zenuwvezels die voorzien zijn van een nieuwe myelinelaag zijn mogelijk minder vatbaar voor verdere beschadigingen.
Littekens
De gebieden waar demyelinisatie is opgetreden, worden dikwijls opgevuld met bindweefsel. Dit bindweefsel wordt gevormd door een bepaald type hersencel, de astrocyt, een stervormige steuncel van het centrale zenuwstelsel. Vanwege de aanwezigheid van littekenweefsel voelen oude laesies dikwijls hard aan. De vorming van littekenweefsel na het demyelinisatieproces kan mogelijk de terugvorming van myeline negatief beïnvloeden. Door het verlies van myeline en de vorming van een litteken kunnen signalen via zenuwvezels blijvend niet meer goed worden overgebracht.
Zenuwletsel
De laatste jaren is het duidelijk geworden dat naast het myeline, ook zenuwcellen en hun uitlopers, de zenuwvezels, beschadigd raken gedurende het ziekteproces en zelfs afsterven. Het verlies van zenuwcellen en vezels is veelal een onherroepelijk proces en leidt er toe dat de stroom van informatie binnen het centrale zenuwstelsel en de communicatie met het perifere zenuwstelsel blijvend is verstoord. Er wordt daarom gedacht dat het afsterven van zenuwvezels en zenuwcellen de voornaamste oorzaak van de blijvende schade en invaliditeit is bij MS. Door het afsterven van zenuwcellen en oligodendrocyten neemt het volume van de hersenen en ruggenmerg af. Men spreekt dan van hersen- en ruggenmerg atrofie.
Als je dit artikel interessant vond en op de hoogte wilt blijven schrijf je dan in op onze nieuwsbief




