Na de diagnose
Blijkt er inderdaad sprake te zijn van een kleincellige longkanker dan moet er meer onderzoek volgen. Bij het kleincellige longkanker gaat men er vanuit, gezien de snelle groei en de neiging om zich uit te zaaien door het lichaam, dat er sprake is van een uitgebreide ziekte (extensive disease) tot het tegendeel bewezen is. Gebruikelijk is om naast de CT-scan van de borstkas en bovenbuik een onderzoek naar de toestand van het skelet te doen door middel van een skeletscan (een onderzoek met behulp van een radioactieve stof) en onderzoek te doen of er uitzaaiingen zijn in het centraal zenuwstelsel doormiddel van een CT-scan van de hersenen. Door middel van lab onderzoek worden eventuele uitzaaiingen opgespoord en wordt nagegaan of er afwijkingen zijn wat betreft het zout (natrium) gehalte en kalk (calcium) gehalte. Belangrijk is ook de meting het aantal witte bloedlichaampjes (leukocyten) en bloedplaatjes (thrombocyten) vanwege de mogelijke behandeling met cytostatica.
Welke rol de PET-scan speelt in de diagnostiek van het kleincellig longkanker is op dit moment nog onduidelijk.
De behandeling
Het voorgaande onderzoek is bedoeld om vast te stellen of er sprake is van beperkte (limited disease) of uitgebreide ziekte (extensive disease). Wanneer er sprake is van zeer kleine tumor zonder tekenen van uitzaaiing volgt chirurgische behandeling waarbij de tumor met omringend weefsel wordt verwijderd, gevolgd door behandeling met chemotherapie. Dit laatste gebeurt om eventuele zeer kleine uitzaaiingen, die met de onderzoeken niet zijn te vinden, uit te roeien. Vaak wordt de diagnose kleincellige longkanker pas na de operatie gesteld. Is chirurgische verwijdering van de tumor niet mogelijk, omdat er te veel uitzaaiingen zijn, is volgt behandeling met chemotherapie. Meestal gaat het hierbij om 6 kuren van een combinatie van verschillende celdodende geneesmiddelen. Als de ziekte beperkt is tot de borstkas en er een goede reactie op de chemotherapie is, dan volgt radiotherapie (bestraling) op de tumor en klieren in de borstkas en op het hoofd. Dit laatste is nodig, omdat medicatie niet goed doordringen in de hersenen en eventueel aanwezige microscopisch kleine uitzaaiingen daar niet worden uitgeroeid.
Als je dit artikel interessant vond en op de hoogte wilt blijven schrijf je dan in op onze nieuwsbief




