Cholesterol, geen "goede" en geen "slechte"
- Als men het over de vetbalans heeft, gaat het in eerste instantie over het totale cholesterolgehalte, de triglyceriden en het HDL-cholesterolgehalte (goede cholesterol). Aan de hand van dat laatste kan men het LDL-cholesterolgehalte (slechte cholesterol) berekenen, en dat is een oorzakelijke factor voor atherosclerose; HDL-cholesterol is daarentegen een beschermende factor.
- Men kan niet spreken over een welbepaald cholesterolgehalte waardoor iemand een risicopersoon wordt. Men dient het geheel van afwijkingen wat vetten betreft én van de andere risicofactoren (hoge bloeddruk, roken, diabetes, zwaarlijvigheid,…) samen te bekijken om het globale hart- en vaatrisico van de patiënt te beoordelen en hem zo doeltreffend mogelijk te behandelen.
- De medische wereld beschikt over degelijke middelen, die op Belgische gegevens berusten, om het globale hart- en vaatrisico in te schatten.
- Binnen de groep van 35- tot 84-jarigen (ongeveer 5.500.000 mensen) zijn er circa 1.700.000 mensen bij wie het risico dat ze binnen de tien jaar een ernstige cardio- of cerebrovasculaire aandoening krijgen meer dan 15%. Voor 350.000 onder hen is het risico al groter dan 30%.
Het cholesterolgehalte zonder meer is maar een cijfer
Cholesterol is een vet (lipide) dat onmisbaar is om in leven te blijven. Het is een van de belangrijkste bestanddelen van onze celmembranen en onontbeerlijk voor de aanmaak van tal van hormonen. De cholesterol in ons bloed is gedeeltelijk afkomstig uit voeding (20%) en voor de rest (80%) van de cholesterolvoorlopers die onze lever in aanzienlijke hoeveelheden aanmaakt.
Goede en slechte cholesterol: vooral slecht taalgebruik
Allicht hebt u ook al gehoord over “goede” en “slechte” cholesterol. In feit gaat het om een onterecht onderscheid. Er bestaat namelijk maar één soort cholesterol, en die is goed noch slecht. In werkelijkheid komt cholesterol in het bloed vrijwel niet in vrije vorm voor maar altijd in verbindingen met transporteiwitten die men apoproteïnen noemt. Door de verbinding tussen een apoproteïne en een lipide ontstaat een lipoproteïne, die de lipide oplosbaar maakt in het bloed. Twee lipoproteïnen zijn van bijzonder belang als het om cholesterol gaat: lipoproteïnen met lage densiteit (LDL) en lipoproteïnen met hoge densiteit (HDL).
De LDL dienen hoofdzakelijk voor het transport van cholesterol uit de lever naar de andere organen. De cholesterol die aan LDL gebonden is (LDL-c) kan dan ook afgezet worden in de bloedvaten – vandaar zijn reputatie van “slechte” cholesterol. Eenmaal afgezet in de bloedvaten draagt hij immers bij aan het ontstaan of de uitbreiding van atheroomplaque, en daarom noemt men LDL-c ook atherogeen. Wanneer een atheroomplaque scheurt of breekt, draagt dat bij tot de vorming van klonters, die op hun beurt aan de basis kunnen liggen van een infarct of beroerte. De HDL daarentegen dienen hoofdzakelijk om overtollige cholesterol uit het lees verder




