De heupfractuur, een belangrijke oorzaak van invaliditeit en sterfte
Heupfractuur belangrijke oorzaak van invaliditeit en sterfte
Een heupfractuur wordt gedefinieerd als een fractuur van het bovenste deel van het dijbeen (de femur). Bij gezonde jongvolwassenen komen heupfracturen alleen voor na een belangrijk trauma. Bij ouderen komen heupfracturen frequent voor, ook na een relatief gering trauma. Typerend is een val vanuit staande positie. Heupfracturen zijn een belangrijke oorzaak van invaliditeit en sterfte. Het optreden van fracturen is de ernstigste klinische manifestatie van osteoporose.
Na heupfractuur relatief veel sterfte
Voor heupfracturen kunnen de volgende opeenvolgende klinische stadia onderscheiden worden:
- val met fractuur;
- (meestal) operatieve ingreep;
- herstelfase met revalidatie.
Na een heupfractuur volgt een periode met hogere sterfte. Daarbij is dikwijls onbekend in hoeverre het overlijden moet worden toegeschreven aan de slechte gezondheidstoestand die iemand reeds voor de heupfractuur had. Complicaties en sterfte kunnen worden veroorzaakt door de fractuur zelf, de immobiliteit, de chirurgische ingreep en bijbehorende anesthesie en ook door de dikwijls aanwezige co-morbiditeit. Slechts een deel van de patiënten is na genezing van de fractuur weer net zo mobiel als daarvoor. Een groot deel van de patiënten moet na de acute fase verzorgd worden in een verpleeghuis of heeft andere hulp nodig.
Het beloop van een heupfractuur in cijfers
Een onderzoek in 1994 toonde aan dat een jaar na het ontstaan van een heupfractuur 40 procent van de overlevenden volledig was hersteld. Vanwege blijvende invaliditeit verhuisde 22 procent naar een aangepaste omgeving (De Laet et al., 1996b). Van de patiënten die in 1999 met de hoofddiagnose heupfractuur waren opgenomen in het ziekenhuis, overleed 6.5 procent van de vrouwen en 11,1 procent van de mannen gedurende de ziekenhuisopname. De reden voor het verschil in sterfte tussen mannen en vrouwen is onbekend.
Hoger risico op heupfractuur bij lage botmassa
Metingen van de botmineraaldichtheid hebben een voorspellende waarde voor het optreden van heupfracturen. Volgens de World Health Organisation (WHO) is de situatie normaal als de botmineraaldichtheid niet meer dan 1 standaarddeviatie (SD) lager is dan de gemiddelde dichtheid bij jongvolwassen vrouwen (de piekbotdichtheid) (WHO, 1994a). Internationaal onderzoek schat in dat iedere SD-daling van de botdichtheid het risico op een heupfractuur 2,6 maal verhoogt (Cummings et al., 1993).
Van alle heupfracturen is 9 procent toe te schrijven aan benzodiazepinegebruik
Van de overige determinanten zijn de voornaamste de algemene gezondheidstoestand, een laag lichaamsgewicht, het gebruik van medicatie die het reactievermogen beïnvloeden (zoals benzodiazepine), evenwichtsproblemen en valfrequentie, heupfracturen in de familie-anamnese, fracturen in het verleden (vooral na het 50e levensjaar), verminderd gezichtsvermogen, verblijf in een verpleeghuis en verminderde mobiliteit (Melton, 1993; Cummings & Nevitt, 1994; Lord et al., 1994; Cummings lees meer over De heupfractuur, een belangrijke oorzaak van invaliditeit en sterfte



