Welke factoren beïnvloeden de mogelijkheid op een aneurysma van de buikaorta?
Aneurysma’s treden op bij een verzwakte aortawand en atherosclerose
De sterkte van de wand van de aorta hangt vooral af van de verhouding van de typen bindweefsel (elastine en collageen). Het deel van de aorta in de borst bevat veel meer elastine dan het deel in de buik. Dit verklaart waarom aneurysma’s vooral optreden in de buikaorta. Bij aneurysmatische verandering van de aorta is de hoeveelheid elastine in de aortawand sterk verminderd en is de collageensynthese gestoord. De verzwakte wand is daarna zeer gevoelig voor atherosclerose.
Leeftijd en geslacht zijn van grote invloed
Onder de leeftijd van 50 jaar komt het AAA nauwelijks voor, maar daarboven neemt de prevalentie exponentieel toe. Mannen hebben een hoger risico dan vrouwen. De man-vrouwverhouding bedraagt 5 : 1.
Familieleden van patiënten hebben hoger risico op een aneurysma
Men neemt algemeen aan dat een genetische aanleg het ontstaan van een AAA bevordert. In verschillende studies werd aangetoond dat onder familieleden van patiënten met een AAA de prevalentie van AAA twee tot vier keer hoger is dan in de open populatie (Van der Lugt et al., 1992; Anonymous, 1996; Hak et al., 1996; Tilson & Seashore, 1984; Norrgard et al., 1984). Mogelijk spelen genetische defecten, die leiden tot collageensynthesestoornissen en atherosclerose, een rol (Anonymous, 1993). Het gegeven dat het AAA frequenter voorkomt bij patiënten met COPD wijst in de richting van een onderliggende bindweefselzwakte (Van Laarhoven et al., 1993).
Andere determinanten en ziekten in relatie tot AAA
Vooral roken en hoge bloeddruk, maar ook een verhoogd cholesterolgehalte verhogen de mogelijkheid op een AAA. Dit verband is echter minder sterk dan het verband tussen deze risicofactoren en coronaire hartziekten (Pleumeekers et al., 1994; Strachan, 1991, Simons et al., 1999b). Een AAA komt meer voor bij patiënten met COPD, perifeer vaatlijden, coronaire hartziekten (hartinfarct en angina pectoris), carotisstenose (vernauwing van de hersenslagader), cerebrale ischemie (TIA en herseninfarct) en diabetes mellitus (Allardice et al., 1988; Shapira et al., 1990; Karanjia et al., 1994; Carty et al., 1993; Grimshaw et al., 1994). Enkele studies rapporteren een negatieve associatie tussen een AAA en diabetes mellitus (Lederle et al., 1997). De betekenis hiervan is nog niet duidelijk.
Als je dit artikel interessant vond en op de hoogte wilt blijven schrijf je dan in op onze nieuwsbief




