Toename aantal kinderen met onvoldoende screeningsresultaat
De gehoorscreening van zuigelingen vindt reeds vanaf de jaren zestig plaats. Uit trendcijfers blijkt dat in de periode 1977-1983 het percentage kinderen met een onvoldoende screeningsresultaat is toegenomen van zo’n 2 procent tot 6 à 7%. De reden hiervan is niet bekend. Hierbij moet aangetekend worden dat in toen het bereik van de screening kleiner was dan in de 21ste eeuw. De methode van screening is door de invoering van neonatale gehoorscreening in 2002/2003 duidelijk veranderd. Daardoor zullen ook de aantallen kinderen die bekend zijn met een gehoorstoornis veranderd zijn.
Welke factoren beïnvloeden de mogelijkheid op ernstige gehoorstoornissen bij kinderen?
Bij perceptieslechthorendheid is erfelijkheid een belangrijke risicofactor
Ongeveer 40 procent van de perceptieslechthorendheid bij kinderen is erfelijk bepaald, 27 procent is verworven en van 34 procent is de oorzaak onbekend (Van Rijn, 1989). Geleidingsslechthorendheid is voornamelijk verworven. Ze wordt onder andere veroorzaakt door middenoorproblemen (middenoorontsteking). Soms maakt aangeboren doofheid deel uit van een samengesteld ziektebeeld. Een ernstige combinatie is doof-blindheid (syndroom van Usher).
Niet-erfelijke factoren die slecht horen kunnen veroorzaken
Oorzaken van verworven slecht horen bij kinderen kunnen zijn (Van Rijn, 1989):
- een infectie bij de moeder gedurende de zwangerschap met het rubella-virus (rode hond) of cytomegalievirus;
- zuurstofgebrek gedurende de geboorte;
- hyperbilirubinemie vlak na de geboorte (verhoogde concentratie bilirubine in het bloed als gevolg van een schadelijke reactie tussen moederlijk bloed en het neonatale bloed);
- hersenvliesontsteking;
- geneesmiddelengebruik;
- chronische middenoorontsteking.
Als je dit artikel interessant vond en op de hoogte wilt blijven schrijf je dan in op onze nieuwsbief



