Bak best niet met verzadigde vetten
Verzadigde vetzuren zijn erg stabiel. Dat komt omdat alle bindingsmogelijkheden zijn gebruikt om er een waterstofatoom aan te koppelen (ze hebben als het ware de handen vol en kunnen niets meer aanpakken). Verzadigd vet is op kamertemperatuur vast van vorm. Dieren slaan hun vet in verzadigde vorm op. Dat doen ze omdat deze vorm de organen beter beschermt en bovendien isolerend werkt waardoor de lichaamstemperatuur beter kan worden vastgehouden. Ook kan het lichaam de vitaminen A, D en E in dit vetweefsel (vetcellen) beter opslaan. Vet in vlees en boter is dus verzadigd vet. Bij een relatief teveel aan verzadigde vetzuren kunnen sommige van deze moleculen, juist omdat ze zo stabiel zijn, niet worden afgebroken. Het lichaam wordt dan gedwongen om ze ergens in het lichaam op te slaan. Als dit aan de binnenkant van slagaders gebeurt kan dit arteriosclerose tot gevolg hebben, een op den duur levensbedreigende aandoening. Ook de veerkracht van de cellen heeft te leiden onder een te hoge inname van verzadigde vetzuren. Niet zozeer de verzadigde vetzuren zelf als wel de verhouding verzadigde - onverzadigde vetzuren is van belang. Wij westerlingen hebben een verhouding van 20:1 terwijl een verhouding 4:1 optimaal is.
Verzadigde vetzuren zitten in:
- vlees en vleesproducten
- kaas, roomboter, slagroom
- bak-, braad- en frituurvet
- kokosnoot, kokosolie en kokosvet
- koffiewitmaker (creamer)
- chocolade
- koekjes en gebak
- zoutjes
Verzadigde vetten zijn uitstékend geschikt om in te bakken of te braden. Verzadigde vetten oxideren niet en er komen geen toxische stoffen vrij als ze verhit worden. Plantaardige margarine of zonnebloemolie om in te bakken is eigenlijk nooit een verstandige keuze. Dat heeft alles te maken met de toxische stoffen die daarbij vrij komen. Bovendien zitten er transvetten in margarine. Dus: lekker frituren in ossewit en de cake vooral bakken met roomboter.




