Een verstoorde vethuishouding bij suikerziekte
Bij veel mensen die aan diabetes mellitus type 2 lijden, is de lipidenhuishouding verstoord. Het gehalte aan HDLc is te laag. Ook de hoeveelheid triglyceriden is groter dan zou moeten. Doordat er een laag HDLc-niveau is, gaat het LDLc moeilijk uit het lichaam. Hierdoor is er dikwijls een te hoog LDLc- en een te laag HDLc-cholesterolgehalte. De boosdoeners zijn de lever en de insulinehuishouding. De lever zorgt er voor dat er niet te veel, maar ook niet te niet veel lipiden in het bloed zitten. Het maakt cholesterol aan en verwijdert het teveel van deze stof uit het lichaam, door aanmaak van extra receptoren. Om de balans goed te kunnen behouden, werkt de lever nauw samen met het hormoon insuline. En daar gaat het mis.
Bij mensen die aan diabetes mellitus type 2 lijden, is de insulinehuishouding verstoord. Het lichaam maakt te niet veel insuline aan en daarbij kan het lichaam de toch reeds geringe hoeveelheid insuline niet goed benutten. Vaak weten mensen jarenlang niet dat ze aan diabetes mellitus type 2 lijden. Ze hebben immers geen klachten gehad. Maar de lever heeft in die tijd wel degelijk gemerkt dat de insulinehuishouding verstoord is en heeft zich daar aan aangepast, voor zover mogelijk. De lever is, met andere woorden, anders gaan communiceren met insuline en kan de 'oude taal' nooit meer oppikken. Dat verklaart waarom het cholesterolgehalte te hoog blijft wanneer de insulinehuishouding weer in balans wordt gebracht met een dieet en medicijnen (medicatie) voor een goede glucose-regulatie. Bij mensen met diabetes mellitus type 2 heeft de behandeling van hoge glucosewaarden echter geen (of alleen heel weinig) invloed op de hoogte van het cholesterolgehalte.




