Antroposofische geneeskunde
Antroposofische geneeskunde is geen vervanging voor de reguliere geneeskunde, maar een
aanvulling daarop en verdieping daarvan. Kenmerkend voor de reguliere geneeskunde is dat deze vooral is gericht op de fysiek waarneembare fenomenen. Steeds meer mensen raken er echter van overtuigd dat bij ziek-zijn ook verschillende
niet-materiële processen een rol kunnen spelen. De antroposofische geneeskunde ontstond in het begin van de twintigste eeuw. Artsen vroegen toen aan de Oostenrijker Rudolf Steiner (1861-1925), grondlegger van de
antroposofie, om hen te leren hoe zij een diepere kijk op de mens en op de werking van medicamenten konden krijgen. Een belangrijke schakel hierbij was de Nederlandse dokter Ita Wegman. Zij richtte in 1921 vlakbij Bazel het eerste antroposofische ziekenhuis op. Steiner bezocht ongeveer dagelijks de nieuwe kliniek, gaf aanwijzingen voor therapieën en hield daarnaast een aantal cursussen voor artsen die geïnteresseerd waren in een
nieuwe vorm van genezen. Samen met Ita Wegman schreef Steiner hier een boek over, getiteld Grondslagen voor een verruiming van de geneeskunde.
Op dit moment zijn er zo’n vijfenzeventig praktiserende antroposofische artsen in Nederland. Een aantal van hen werkt in een antroposofisch gezondheidscentrum, meestal therapeuticum genoemd. In een therapeuticum wordt dikwijls ook zuigeling- en peuterzorg gegeven en een aantal therapieën als fysiotherapie, kunstzinnige therapie en euritmietherapie. Daarnaast worden in verschillende therapeutica lezingen en cursussen gehouden over thema’s die met gezondheid en ziekte te maken hebben. Het woord antroposofie is samengesteld
lees meer over Antroposofische geneeskunde