Spreekvloeiendheid
Mensen die perfect vloeiend spreken bestaan niet. ‘Vloeiend' praten is sowieso onvloeiend. Ook wanneer je niet stottert. Men is het er over eens dat ‘vloeiend praten' minimum de volgende zaken inhoudt:
- Praten met een normale snelheid.
- Praten zonder ‘haperingen' of onvloeiendheden.
- Praten met een normaal, natuurlijk ritme.
- Praten zonder overmatige inspanning (fysiek en mentaal).
Iemand die perfect vloeiend praat, zou dus moeiteloos met een behoorlijke snelheid (zo'n 20 à 30 klanken per seconde) en een natuurlijk ritme moeten kunnen praten zonder daarbij ooit te haperen. Natuurlijk voldoet niemand hier ooit aan. Zelfs de meest vlotte spreker moet wel eens zoeken naar woorden, aarzelt wel eens even, struikelt wel eens over zijn woorden, corrigeert zichzelf wel eens of zegt ‘euhm…' om een denkpauze op te vullen… Zelfs bij de meest vlotte spreker kan de spreeksnelheid variëren, bvb door vermoeidheid, ziekte of door de invloed van emoties. Dergelijke hapermomenten worden ‘normale onvloeiendheden' genoemd. Ze horen evenveel bij de spraak als de woorden en zinnen zelf. Men zou ze taalonvloeiendheden kunnen noemen. Ze zijn nuttig en al heeft de spreker niet meer het gevoel dat hij ze bewust gebruikt, toch heeft hij ze zelf onder controle. Hij hanteert ze heel functioneel, zij het geautomatiseerd (het is een gewoontegedrag geworden).
Voor wie van cijfers houdt…
- Kinderen die niet stotteren vertonen 6 à 8 onvloeiendheden per 100 lettergrepen. Volwassenen maker er een 5-tal per 100 lettergrepen.
- De topper onder de normale onvloeiendheden is de ‘opgevulde pauze’. Van alle onvloeiendheden die volwassenen maken, neemt de opgevulde pauze ongeveer 65% in. Jonge kinderen maken veel stille pauzes en woordherhalingen.
- Normale volwassen conversatiespraak verloopt aan een snelheid van zo’n 116 à 164 woorden per minuut, of zo’n 20 à 30 klanken per seconde. Hardop lezen doen volwassenen tegen 150 à 200 woorden per minuut. Kinderen praten een stuk trager, al is de spreeksnelheid in een mensenleven het hoogste omstreeks de puberteit.
Anders is het natuurlijk wanneer het vlotte spreken wél moeite begint te kosten. Wanneer er 'andere' onvloeiendheden opduiken – onvloeiendheden die niet zomaar onder controle te brengen zijn. Of wanneer het aantal onvloeiendheden onnatuurlijk groot wordt.
“De vloeiendheid is afwijkend wanneer de inspanning voor planning en uitvoering overmatig is, wanneer onvloeiendheden optreden aan een frequentie en/of in een mate die niet past bij de leeftijd van de spreker, of wanneer het spreekritme atypisch is of van die aard dat het de spraakproductie belemmert of verstoort.” (Ham, 1990)
Mogelijk gaat het in dat geval om een zogenaamde ‘vloeiendheidsstoornis'. Daaronder worden doorgaans drie soorten gerekend: stotteren, broddelen en spreekvrees.



